Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
satellieten moest doen verzachten. Een verklaring van dit
verschijnsel vond hij daarin, dat op sommige tijden het licht
een grooteren weg had afteleggen om tot ons te komen,
dan op andere oogenblikken.
Fiq. 32. ï)aar Jupiter
zich veel lang-
zamer beweegt
in hare loop-
baan,is het mo-
gelijk , dat de
Aarde met Ju-
piter aan de-
zelfde kant van
de zon zich be-
vindt en ook
dat de zon tus-
schen beiden
instaat. Wij
hebben immers
«gezegd dat de
buitenplaneten
bij iedere om-
wenteling eens
in conjunctie met de zon komen en eens in oppositie.
In beide standen (A, J) (A',J') ziet men van de aarde
Jupiter juist in dezelfde richting, als of wij ons op de zon
bevonden. Daar verder de zon ook het licht geeft, zal het
punt S van de schaduwkegel in den stand J, juist hetzelfde
punt wezen als het punt S' in den stand J', en als wij
in die twee standen het intreden van den satelliet in de
schaduw van Jupiter konden waarnemen, dan zouden wij
tegelgk hebben opgeteekend, op welke oogenblikken de satel-
liet weder in 't zelfde punt van haren loopbaan is gekomen.
Tusschen beide oogenblikken moet derhalve de satelliet juist
een vol aantal omwentelingen hebben volbracht. Nu is de
omloopstijd dier satelliet nauwkeurig bekend, en zoo wij dus
dezen op het genoemde tijdsverloop deelen, moet deze deeling
juist opgaan.
Römer vond echter bij die deeling een rest van
welke nergens uit kan voortspruiten dan hieruit, dat het licht