Boekgegevens
Titel: Leerboek der cosmografie
Auteur: Hoorweg, J.L.
Uitgave: Utrecht: gebr. van der Post, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-314
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200874
Onderwerp: Astronomie: astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der cosmografie
Vorige scan Volgende scanScanned page
89 ,
Waaruit volgt, daar BM = AM:
sin X sin (AZB — x)
cos h' cos h"
f , _ cos K sin AZB
01 tang X — —--- -^^ waarna verder
cos A" cos K cos AZB
= ^^—, of, daar x zoo klein is, dat:
MZ cos li'
tang X = sin x en cos AZB = 1 kan gesteld worden
AM , . , „ . sin AZB
■ = horizontale parallaxis
MZ cos A"-j-cos A'
Zoo de beide stations niet op den zelfden geogr. meridiaan
gelegen zijn , wordt de berekening natuurlijk eenigszins om-
slachtiger, maar toch ten allen tijde uitvoerbaar.
Op deze wijze is werkelijk de horizontale parallaxis der
zon bepaald uit waarnemingen , op observatoria verricht,
die zoo veel mogelijk in geografische breedte verschillen.
De uitkomsten moeten echter verre van nauwkeurig zijn,
daar het blijkt dat de afstand van de zon zoo groot is,
dat de horizontale parallaxis niet meer dan 9" bedraagt.
Voor een dergelijken kleinen hoek zal een kleine fout in de
meting der beide hoogten K en h" een zeer grooten invloed
op de uitkomst hebben
P. Men moet dus naar een ander middel uitzien, om tot
juiste resultaten te geraken, en dat middel is gevonden in
de passages van Venus over de zonneschijf.
Uit onze beschrijving van de schijnbare beweging der
binnenplaneten zal men zich herinneren dat deze om de
zon heen en weder schommelen, binnen de grenzen, door
de digressie aangewezen. Is. nu bij een dier schijnbare
schommelingen Venus in of nabij een der knoopen van hare
loopbaan, dan bevindt zij zich met de zon en de aarde in
één vlak en moet do zonneschijf passeeren. Uit ieder punt
van de aarde ziet men, zoo de zon niet al te ver is, Venus
alsdan op oon ander punt van do zonneschijf geprojecteerd.
Bij voorbeeld uit A, fig. 31, ziet men Venus in a, uit B, den
tegenvoeter van A, in 6 geprojecteerd. Kon een waarnemer
zich dus plotseling van A naar B begeven, dan zou hij Venus
even plotseling van a naar ê verplaatst zien. Zoo hij dan op
de een of andere wijze de juiste ligging van a en 5 op de
zonneschijf kon bepalen, dan zou hij den hoek, waaronder ah van