Boekgegevens
Titel: De zoogdieren: lees en leerboek voor de lagere school en de normaalschool
Auteur: Hoyer, A.G.E.
Uitgave: Amsterdam: H.J. Otto, 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200857
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De zoogdieren: lees en leerboek voor de lagere school en de normaalschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
Het rendier heeft veel overeenkomst met het
hert, hoewel de vorm niet zoo sierlijk is. Het is
van sterke, dikke beenderen voorzien en bezit een
ongemeene spierkracht; de hoeven zijn breed en plat
en kunnen uitgespreid of samengetrokken worden,
naar gelang de gesteldheid van den bodem, waar-
op het zich beweegt. Zijn gewei overtreft dat der
overige hertensoorten in grootte en in pracht; men
heeft er zelfs met 70 en meer uiteinden gevonden;
ook het wijfje draagt een gewei, hetgeen bij de
overige herten slechts bij uitzondering het geval is :
met die horens verwijdert zij in den winter de sneeuw,
waarmede het mos bedekt is. Bij de minste bewe-
ging der pooten maken de hoeven een eigenaardig
krappend geluid, dat op verren afstand hoorbaar is^
en waardoor deze dieren niet gemakkelijk van hunne
kudden afdwalen. Zij komen zoowel in getemden
staat als in 't wild voor en kunnen slechts in de
koude luchtstreek gedijen. De pels is in den win-
ter van dichte, grijsachtig witte haren voorzien,
die in den zomer dunner en donkerder worden;
soms treft men ook geheel witte rendieren aan. In
den winter bestaat zijn voedsel uit mos, dat het
met zijn horens soms eenige voeten van onder de
sneeuw opdelft; des zomers vreet het ook loof van
berken en elzen, spruitjes van allerhande struiken,