Boekgegevens
Titel: De zoogdieren: lees en leerboek voor de lagere school en de normaalschool
Auteur: Hoyer, A.G.E.
Uitgave: Amsterdam: H.J. Otto, 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200857
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De zoogdieren: lees en leerboek voor de lagere school en de normaalschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
evenwel van de natuur afgeweken; onze' reuk en
onze smaak worden vroegtijdig reeds bedorven, en
kunnen dus geen vertrouwbare gidsen meer zijn.
Raadplegen wij derhalve ons gezond verstand.
En wat leert het ons? Dieren, die alleen van
dierlijk voedsel leven, hebben zeer kleine magen,
en korte darmen, alsmede eenzooals wij hier-
boven leerden kennen; zij, die uitsluitend planten-
voedsel nuttigen, bezitten daarentegen gr*ote magen
(soms in 4 afdeelingen; denk eens aan de pens
van de koe!), een lang darmkanaal en een gebit.,
waaraan gewoonlijk de hoektanden ontbreken en
waarvan de kiezen nimmer zeer puntig zijn.
De mensch nu staat tusschen deze beide uiter-
sten : hij heeft een, naar verhouding, grooter maag
en langer darmen dan de vleescheters; maar weder-
om veel minder groot dan die der planteneters. De
mensch heeft daarenboven beide soorten van tanden ;
waaruit volgt dat hij verstandig handelt, indien hij
zijn voedsel ontleent aan 't dieren-, zoowel als aan
't plantenrijk. J. J. Rousseau houdt in zijn „Emile"
wel een warm en schoon pleidooi tegen 't gebruik van
vleeschspijzen, „waardoor de geheele aarde in een
groot slachthuis wordt veranderd", maar____ op
zijn tafel nam het heerlijke wildbraad naast het
3*