Boekgegevens
Titel: De zoogdieren: lees en leerboek voor de lagere school en de normaalschool
Auteur: Hoyer, A.G.E.
Uitgave: Amsterdam: H.J. Otto, 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200857
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De zoogdieren: lees en leerboek voor de lagere school en de normaalschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
dat hun lichaam geheel en al is ingericht voor hun
onderaardsche leefwijze. Naar 't geen vooraf gaat,
behoeft ge juist geen profeet te zijn, indien gij de
veronderstelling waagt, dat heden egels, mollen en
spitsmuizen aan de beurt zijn.
De dieren dezer orde (zie er den mol maar op
aan!) hebbeh alle een neus, die tot snuit verlengd
is; deze snuit bewijst hun uitmuntende diensten bij
't graven, wroeten en ploeteren in den grond, dient
tevens als werktuig voor 't gevoel en geeft aan hun
kop het voorkomen van een kegel. De oogen zijn klein
en liggen diep verborgen, daar de dieren anders last
van 't zand zouden hebben; blind zijn ze evenwel
niet, zooals sommigen wel eens beweren. De pooten
dezer mijnwerkers zijn kort; bovendien zetten zij
den geheelen voetzool op den grond ('t zijn dus
zoolgangers), waardoor de pooten voor deze dieren
volstrekt geen hinderpaal zijn, om zich met onge-
loofelijken spoed onder de aarde te bewegen. Het
gebit—de spitse, scherpe kiezen, de flinke hoektan-
den, de snijtanden in de boven- en onderkaak — toont
ten duidelijkste aan, dat wij met insekteneters te
doen hebben; in dit opzicht bezitten ze dus eenige
overeenkomst met de vleermuizen. De reuk en 't
gehoor zijn gewoonlijk scherp ontwikkeld. Over 't
algemeen zijn de dieren dezer orde zeer vraatzuchtig;