Boekgegevens
Titel: De zoogdieren: lees en leerboek voor de lagere school en de normaalschool
Auteur: Hoyer, A.G.E.
Uitgave: Amsterdam: H.J. Otto, 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4837
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200857
Onderwerp: Biologie: Mammalia
Trefwoord: Zoogdieren, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De zoogdieren: lees en leerboek voor de lagere school en de normaalschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
^96
delijk maken, wat men in de dierkunde door het
woord geslacht verstaat. Wij zullen eerst nog eens
eenige diersoorten opnoemen, nl.:
1. botvink, kneu, putter, sijsje, groenling, enz.
2. koolmees, staartmees, pimpelmees, zwartkop-
mees, enz.
3. huiszwaluw, boerenzwaluw, oeverzwaluw, enz.
Bij onderlinge vergelijking zien wij al spoedig,
dat eenige dezer diersoorten, hoeveel ze onderling
ook in kleur, grootte, leefwijze, enz. mogen ver-
schillen , toch in andere kenmerken weder met elkan-
der overeenkomen, waardoor eenige soorten zicii
gemakkelijk van andere onderscheiden. Nemen wij
bijv. de hier boven genoemde soortengroepen tot
voorbeeld. Vooreerst:
I. Er is verschil in kleur, grootte, leefwijze,
gezang, enz.; maar van den anderen kant een tref-
fende overeenkomst o. a in den krachtigen, kegel-
vormigen snavel, in de niet zeer sterke pooten , enz.,,
welke kenmerken andere soortengroepen missen.
Nu 2. Weer 't zelfde verschil, maar ze komen
overeen in den korten, priemachtig kegelvormigen
snavel, in de afgeronde vleugels, in de krachtige
pooten, enz., hetgeen wij bij andere groepen niet
vinden.
Eindelijk 3. Hier is dit eveneens het geval. De