Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S2
dagelijks 10 minuten achterloopt, hoeveel moet de lens dan
opgeschroefd worden om dit gebrek te verhelpen?
69. Hoeveel kracht zal men kunnen aanwenden met eene hydrau-
lische pers, waarvan bekend is de middellijn des kleinsten
cylinders =:i 1 cM en die des grootsten = 60 cM, dat de arbei-
der in het machtpunt des hefbooms werkt met 25 KG en dat
de hefboom 12 dM lang en het steunpunt 0,5. dM van het
lastpunt is verwijderd?
70. Een lichaam beweegt zich gedurende 20 sec. met eene gelijk-
matige snelheid van 25 M; daarna verandert zijne beweging
in eene eenparig versnelde met de versnelling van 5 M; nadat
het zich nu 20 sec. bewogen heeft, verandert de versnelling in
eene vertraging van 10 M. Hoever is het punt, waar de be-
ging ophoudt, verwijderd van het uitgangspunt, en na hoeveel
tijd heeft het lichaam het uitgangspunt weer bereikt?
71. Het blad eener vierkante tafel heeft zijden van 1,2 M en staat
8 dM boven den grond, In het midden staat eene kaars van
0.3 M lengte. Men vraagt de oppervlakte van de schaduw
dier tafel te berekenen.
72. Hoeveel warmte-eenheden zijn noodig om 6 KG ijs van — 4° C.
te doen overgaan in water van 50"^ C. ? Latente smeltings-
warmte van ijs =i: 79,25.
73. Twee mannen vervoeren eene vracht van 160 KG aan een
draagboom van 2,4 M lengte en 10 KG zwaarte. Waar hangt de
vracht, als de voorman 9 KG draagt tegen de achterman 8 KG ?
74. Men werkt aan eene schroef met een hefboom of sleutel, die
2,25 dM lang is. Zoo de spoed 1,4 cM is, vraagt men naar
de ruimte, die de macht heeft doorloopen, als de last daar-
door 7 cM is geklommen.
75. Hoe dik is eene in zee drijvende ijsschots van 15 M" opper-
vlakte, die 8 cM boven het water uitsteekt ? Hoeveel personen,
gemiddeld ieder 60 KG zwaar, kunnen er op staan, eer zij
zinkt? S.G, ijs = 0,93, S,G. zeewater = 1,026.
76. Met welke snelheid moet men van eene hoogte van 98 M een
voorwerp onder een hoek van 30° met den horizon omhoog
werpen, zal dit lichaam na 10 seconden de Aarde bereiken?