Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S76
2. Bij een waterval stort het water van eene hoogte van 20 M
naar beneden en stroomt nu met dezelfde snelheid, die het
vóór den val had, verder. Welk temperatuursverschil moet het
water vóór en na den val vertoonen?
3. Hoeveel warmte wordt ontwikkeld, wanneer een stuk lood van
5 KG van eene hoogte van 200 M naar beneden valt en den
harden bodem treffend, daarop plotseling tot stilstand komt?
4. Welke temperatuursverhooging ondervindt dit stuk lood, zoo
de helft van de ontwikkelde warmte zich daaraan mededeelt?
5. Hoe groot is het arbeidsvermogen, dat door verbranding van
25 KG houtskool ontwikkeld wordt?
6. Eene stoommachine doet 100 slagen (hij gaat 50 maal heen
en weer) in de minuut. De doorsnede van den zuiger is 4 dM~.
Zij werkt zonder condensator met eene stoomspanning van 6
atmospheer. De zuiger beweegt zich bij eiken slag 0,6 M ver.
Hoe groot is het arbeidsvermogen dezer machine in paarde-
krachten naar deze gegevens berekend?
7. Hoe groot zou het arbeidsvermogen dezer machine zijn, zoo
zij met condensator werkt en de spanning in den condensator
8 cM kwikdruk bedraagt?
8. Het werkelijk arbeidsvermogen van de in n°. 6 bedoelde ma-
chine (effectieve paardekracht) bedraagt 20 paardekracht. Hoe-
veel warmte gaat er door wrijving, uitstraling enz. verloren?
9. Indien de in 6 bedoelde stoommachine per uur 42 KG
steenkolen noodig heeft, wier verbrandingswarmte 6552 caloriën
bedraagt, hoeveel % van de ontwikkelde warmte wordt daarin
dan in nuttig arbeidsvermogen omgezet?
10. Een kogel van 6 KG, die met eene snelheid van 400 M ver-
ticaal omhoog geschoten wordt, bereikt den bodem met eene
snelheid van 240 M. Hoeveel warmte ontwikkelde zich bij de
beweging van dien kogel, aannemende, dat alle arbeidsver-
mogen, dat hij verloren heeft, in warmte is overgegaan?