Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
/
/
oo
11. Een lichaam van 24,5 KG heeft eene snelheid van 6 M. Hoeveel
arbeidsvermogen is noodig om die snelheid op 10 M te brengen?
12. Een steen van 6 KG valt van eene hoogte van 12 M. Op een
bepaald oogenblik heeft hij eene snelheid van 8 M. Hoe groot
is nu zijn arbeidsvermogen van beweging, en hoe groot zijn
arbeidsvermogen van plaats?
13. Hoe groot is het arbeidsvermogen van een spoorwegwaggon,
die 18000 KG weegt en eene snelheid van 12 M bezit?
14. Het water eener rivier heeft op zekere plaats eene gemiddelde
snelheid van 3,4 M, terwijl per seconde 600 M^ voorbijstroomt.
Hoeveel arbeidsvermogen bezit het water, dat er in een
etmaal voorbijstroomt?
15. Het water eener beek heeft vóór een watermolen eene snel-
heid van 1,2 M. Bij den molen stroomt het van eene hoogte
van 1 M naar beneden. Achter het waterrad heeft het nog
eene snelheid van 0,84 M. Hoeveel arbeidsvermogen heeft elke
M^ water verloren?
1f>, Een lichaam valt van een 90 M hoogen toren. Hoeveel seconden
is het gevallen, als zijn arbeidsvermogen van beweging even
groot is als zijn arbeidsvermogen van plaats? Neem g — 10 M,
17. Welken arbeid heeft een paard te verrichten bij het voort-
trekken van een wagen van 820 KG over eene helling, die
120 M lang is en 1 op 20 stijgt? De wrijvingsweerstanden
bedragen 60 KG.
18. Welken arbeid zou het paard te verrichten hebben om den-
zelfden wagen langs dezelfde helling met eenparige snelheid
naar beneden te brengen ?
19. Een kogel wordt met eene snelheid van 24,5 M tegen een
hellend vlak opgeworpen. Hoe hoog stijgt hij, als de hellings-
hoek 30° is?
20. Als de helling 180 M lang is en men laat den kogel van het
hoogste punt naar beneden rollen^ met welke snelheid komt
hij dan daar aan?
21. Een kogel van 3 HG treft met eene snelheid van 300 M een
houten balk en dringt er 2,4 dM diep in. Welken weerstand
bood het hout tegen het indringen van den kogel?