Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S70
kant des boogs ondervinden? Welke helling zou het vlak van
de rails moeten hebben, opdat de rails slechts gedrukt worden
in de richting van de normaal?
12*. Hoe groot is de middelpuntzoekende kracht, die op een li-
chaam van de massa 1 (statische eenheid) werkt aan den
evenaar? (straal van den evenaar :::= 6378 KMj,
13*. Hoe groot is die kracht op eene breedte van 3O'', 45°, 60°?
14*. Met welke snelheid moet een glas water worden rondgezwaaid
in een cirkel van 2 M middellijn, opdat het water er niet uitvalle?
15*. Op welken afstand van het middelpunt der Aarde zou een
lichaam zich moeten bevinden, dat in het vlak van den equator
met de Aarde meedraait om hare as, opdat de zwaarte er
van = O zij? Neem aan, dat de versnelling, die de aantrek-
kingskracht der Aarde aan de lichamen meedeelt, zonder de
draaiing der Aarde om hare as = 9,808 M is.
16*. De versnelling, die de Aarde door hare aantrekking meedeelt
aan een lichaam op hare oppervlakte, is 9,808 M. Welke ver-
snelling deelt zij aan de Zon mee, die zich op een afstand
van 23360 aardstralen van het middelpunt der Aarde bevindt ?
17*. Als we aannemen, dat de Aarde zich met eene snelheid van
30 KM in een cirkel om de Zon beweegt, en de afstand van
beide lichamen 149 millioen KM is, hoe groot is dan de ver-
snelling, die de middelpuntzoekende kracht, welke van de
Zon uitgaat, aan de Aarde meedeelt?
18*. Bereken uit de uitkomst der beide vorige vraagstukken de
verhouding van de massa der Aarde tot die der Zon. Denk er
aan, dat de aantrekkingskrachten, die lichamen wederkeerig
op elkaar uitoefenen, gelijk zijn en dat de versnellingen, die
zij veroorzaken, omgekeerd evenredig zijn met de massa's der
lichamen, waarop zij werken.
19*. Een lichaam van 20 KG krijgt onder de werking eener kracht
eene versnelling van 3 M. Bepaal de grootte dezer kracht in
dynamische eenheden.
20*. Een lichaam van 3 KG doorloopt onder de werking eener
constante kracht in 3 seconden een weg van 45 M. Druk de
grootte dezer kracht in dynamische eenheden uit.