Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S69
Hoe groot moet de middellijn van den steen genomen worden,
zal een punt aan den omtrek eene snelheid van 7,5 M verkrijgen?
4, Op den evenaar der Aarde bevindt zich een lichaam, welks
massa 3 maal zoo klein is als van een lichaam op den paral-
lelcirkel van 60" breedte. Hoe verhouden zich de middelpunt-
zoekende krachten, die noodig zijn, om deze lichamen op
hunne baan te houden?
Hoe zouden de massa's dezer lichamen zich moeten verhou-
den, om de centripetale krachten gelijk te doen zijn?
f>. Twee lichamen van 45 en 20 KG bewegen zich met gelijke
hoeksnelheid langs concentrische cirkels. Hoe groot zijn de
stralen dezer cirkels, als de middelpuntzoekende krachten gelijk
zijn en de afstand der lichamen 2,5 M is?
7. Bereken de verhouding van de middelpuntzoekende kracht van
een punt op den evenaar der Aarde tot die van een punt op
den evenaar der Maan, als ge weet, dat de straal der Aarde
3,66 maal zoo groot is als die der Maan en dat de Maan in 27
dagen 8 uren om hare as draait.
Twee door een draadje verbonden cylinders van 75 en 40 G
zijn gemakkelijk verschuifbaar langs eene horizontale stang,
die bevestigd is aan de verticale as eener centrifugaalmachine.
Ze zijn zoo geplaatst, dat ze bij draaiing der machine niet
van plaats veranderen. Als het middelpunt van den eersten
cylinder 8 cM van de as der machine verwijderd is, hoe ver
is het middelpunt van den tweeden cylinder dan daarvan
verwijderd ?
9*. Een steen van 5 KG wordt aan een touw van 2 M rondge-
zwaaid in een cirkel, dien hij met eenparige snelheid in 1
seconde doorloopt. Bereken de spanning van het touw,
10*. Hoe groot zou de omloopstijd van dezen steen moeten zijn,
om het touw te doen breken, wanneer dit hoogstens eene
spanning van 84 KG kan verdragen?
11*. Een trein van 98000 KG loopt over horizontaal gelegde rails
in een cirkelboog, die een straal van 600 M heeft, met eene
snelheid van 10 M. Welken tegendruk in de richting naar het
middelpunt des cirkels zal de trein van de rails aan den buiten-