Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S68
getrokken, heeft de wagen eene snelheid van 1,2 M verkre-
gen. Als de wrijving V70 van het gewicht van den wagen
bedraagt, met welke kracht heeft het paard dan getrokken?
15. Een kogel van 14 KG verlaat den mond van een kanon met
eene snelheid van 400 M. De loop is 1,68 M lang en wij
onderstellen, dat de spanning van den kruitdamp in den loop
standvastig blijft. Welken druk oefende de kruitdamp op den
kogel uit?
16. Een kogel van 0,16 KG treft eene plank met eene snelheid
van 200 M en dringt er 4 cM diep in. Hoe groot is de weer-
stand, dien het hout tegen het indringen van den kogel heeft
geboden ?
17. Een trein van 120000 KG heeft eene snelheid van 15 M en
komt met behulp van den remtoestel in 1 minuut tot stilstand.
Indien de gewone wrijvingsweerstanden Vgoo van het gewicht
bedragen, met welke kracht houdt de remtoestel den trein
dan tegen?
18. Een trein van 60000 KG heeft op een horizontalen weg eene
snelheid van 8 M. Welke kracht is noodig, om die snelheid
in 5 minuten te verdubbelen ? Geene wrijving.
19. Een trein van 80000 KG komt, nadat de locomotief niet meer
trekt, ten gevolge van de wrijving, die V250 van de zwaarte
bedraagt, tot rust, nadat hij 1800 M heeft afgelegd. Hoe groot
was zijne snelheid bij het afsluiten van den stoom?
§ 22. Eenparige cirkelvormige beweging. Statische
en dynamische eenheid van kracht en massa.
(Leerboek I, § 31, n". 14—18).
1. Het vliegwiel eener stoommachine heeft een straal van 1,75 M.
Als een punt aan den omtrek eene snelheid heeft van 5,5 M,
hoeveel omwentelingen doet het wiel dan per minuut, en wat
is de hoeksnelheid van een punt aan den omtrek? n — 22 : 7.
2. Hoeveel omwentelingen moet dit wiel per minuut maken,
opdat de hoeksnelheid van een punt aan den omtrek 60 zij ?
3. De as van een molensteen draait 90 maal in de minuut rond.