Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S67
5. Eene kracht K geeft aan een lichaam eene versnelling van
8 cM en aan een ander lichaam eene versnelling van 20 cM.
Hoe verhouden zich de massa's dezer lichamen ?
4. Twee krachten van 8 en 15 KG werken elk op een lichaam
en geven aan deze lichamen gelijke versnellingen. Hoe ver-
houden zich de massa's dezer lichamen?
.5, Hoe groot zijn de massa's van lichamen, die 98, 147 en 490
KG wegen?
(i. Eene kracht K geeft aan een lichaam van 10 KG eene ver-
snelHng van 3 M, en eene kracht Kj aan een lichaam van 15 KG
eene versnelling van 4 M. Hoe verhouden zich deze krachten?
7. Op een lichaam, dat 640 KG weegt, werken verschillende
krachten, waarvan de resultante eene kracht van 39,5 KG is.
Welke versnelling zal het lichaam door den invloed dier krach-
ten verkrijgen?
8. Bij een toestel van Atwood zijn de beide gewichten samen
3,6 HG zwaar. Met een overwicht van 3,2 G worden de proe-
ven genomen, die dienen om de wetten der eenparig versnelde
beweging te bepalen. Welke versnelling zouden de gewichten
krijgen, indien er geene wrijvingsweerstanden bestonden?
9. Als de versnelling in werkelijkheid 0,075 M bedraagt, hoe
groot zijn dan de in het vorige vraagstuk bedoelde weerstanden?
10. Hoe groot zou men bij dezen toestel het overwicht moeten
nemen, om eene versnelling van 12 cM te vinden, aannemende,
dat er geene wrijvingsweerstanden zijn ?
11. Hoe zwaar zou men de beide gewichten moeten nemen, om
met een overwicht van 5 G eene versnelling van 8 cM te
verkrijgen, aannemende, dat er geene wrijvingsweerstanden zijn?
12. Op een horizontaal vlak staat een gewicht van 4 KG. Welke
drukking oefent het gewicht op het vlak uit, als dit met eene
versnelling van 6 dM naar beneden bewogen wordt?
13. Met welke versnelling glijdt een schip van de helling, die Vb
bedraagt, als de wrijving 0,12 van den druk op het hellend
vlak bedraagt?
14. Een wagen van 1400 KG wordt door een paard in beweging
gezet. Nadat het 10 seconden met standvastige kracht heeft
Horn on de Gast. Vraagst. 2o druk. ^
/

i