Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
spiegel. Het beeld van dit voorwerp bevindt zich op 6 dM
afstand. Bereken den kromtestraal.
28. Twee treinen passeeren elkaar in 6 seconden, wanneer zij in
tegengestelde richting ryden, en in vijfmaal zooveel tijd, als
zij in dezelfde richting rijden. Hoe verhouden zich de snel-
heden van beide treinen?
29. De inhoud der glazen klok met de geleibuis eener luchtpomp
A, en de inhoud der pompbuis bij den hoogsten stand van
den zuiger = B zijnde, vraagt men naar de dichtheid der
lucht in de klok na n slagen, als ze in het begin = D was.
30. Aan een hefboom van de derde soort, die 1 M lang is en
6 KG weegt, werkt aan het eind eene kracht van 25 KG.
Hoeveel kracht moet op 7 dM afstand van het steunpunt
aangewend worden, zal er evenwicht zijn?
31. In zuiver water verliest een lichaam 2 KG van zijn gewicht,
en in zwavelzuur (S.G. 1,86) weegt het half zooveel als in
water. Bepaal het S.G. van dit lichaam.
32. Iemand, die nabij een spoorweg staat, hoort het sein, dat de
trein op zeker punt A geeft. Als nu de trein na 3 min. 31%
sec. passeert en eene gemiddelde snelheid heeft van 12,5 M,
op welken afstand is het punt A dan van den waarnemer
verwijderd? Snelheid geluid = 333 M.
33. Aan het eene einde van het koord van het valwerktuig van
Atwood hangt 5 DG en aan het andere einde een gewicht
van 55 G. Hoe lang is de weg, dien een lichaam in 4 secon-
den doorloopt? Geen wrijvingsweerstanden; c/9,8 M.
34. Wanneer een stuk ijzer van 40 KG op een hellend vlak ligt,
waarvan de hoogte tot de basis staat als 1 : 4, welke horizon-
tale kracht zou dan noodig zijn om dat stuk niet te doen af-
schuiven, als er geene wrijving was?
35. De hefboom eener veiligheidsklep is 36 cM lang en weegt
2 KG. Zijn zwaartepunt ligt 16 cM van het steunpunt, terwijl
het punt, waar hij op de klep drukt, 4 cM van het steunpunt
ligt. Zoo aan het uiteinde van den hefboom een gewicht van
10 KG hangt, welke druk van den stoom opent dan de klep?