Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
In een bak, lang 18 dM, breed en diep 4,5 dM, ligt een
houten kubus, welks ribbe 1,5 dM en waarvan het S.G. 0,64 is.
Hoeveel L water kan men nu nog in den bak gieten ?
6. Eene cylinderv. ijzeren staaf (S.G. 7,5), lang 16 dM en dik 35
mM, wordt 2 dM van het midden ondersteund. Als aan het
uiteinde van den korten arm een gewicht van 16 KG hangt,
hoeveel moet dan in het midden van den anderen arm ge-
hangen worden om de staaf in evenwicht te houden?
7. Een lichaam weegt in de lucht 13 KG, in water 5 KG en in
eene andere vloeistof 6 KG. Men vraagt naar het S.G. van
het lichaam en van de tweede vloeistof.
8. Het S.G. van kurk is 0,24 en van lood 11,4. Hoeveel lood
moet men aan een stuk kurk van 5,4 G binden, zal het ge-
heele lichaam onder water 14,1 G wegen?
9. De thermometer van F. wijst elfmaal zooveel graden boven
nul aan als die van C. beneden nul. Hoe hoog staat die van R. ?
^ 10 Een lichaam van 20 KG weegt in eene vloeistof, waarvan het
] S.G. 0,8 is, 18 KG. Bepaal het S.G. van het lichaam.
^11. Als het S.G. van tin 7,3 en dat van lood 11,3 is, wat is dan
de verhouding der volumen van beide metalen in een mengsel,
waarvan het S.G. 8 is.
^ 12. De armen van een hefboom der eerste soort verhouden zich
als 9 : 10. Aan den kortsten arm hangt een stuk lood van 585 G
geheel in olie. Hoeveel dG moet men aan den anderen arm
hangen zal er evenwicht zijn? S.G. lood = 11,25; S.G. olie — 0,95.
^13. Een lichaam drijft in zuiver water zoo, dat er van in het
water is. Hoe zwaar is dit lichaam, als zijn inhoud 36 kubieke
halve dM bedraagt?
14. In het luchtledige gewogen weegt een lichaam P lY^ maal
zooveel als een lichaam Q; in water gewogen weegt Q IY3
maal zooveel als P. Bereken het S.G. van Q, als dat van
P = 2 is.
15. Iemand meent 50 KG te koopen, doch de waren worden hem
toegewogen met eene balans, wier armen zich verhouden als
10:11. Als de waren aan den langen arm hangen, hoeveel
KG ontvangt hij dan te weinig?