Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
van den eersten is verwijderd, ontstaat een omgekeerd beeld
van een boom, die op 60 M afstand van den eersten wand
staat. Als het beeld 75 cM lang is, hoe hoog is dan de boom?
6. Hoe lang is de schaduw van een 12 M hoogen paal, als de
Zon 30^, 45^ 60° boven den horizon staat?
7. Bij zekeren stand der Zon heeft een toren eene schaduw van
52 M en een verticaal geplaatste stok van 2 M lengte eene
schaduw van 2,25 M. Als het grondvlak van den toren een
vierkant is met eene zijde van 4 M en het bovenstuk eene
regelm. vierzijdige pyramide, hoe hoog is dan de toren?
8. Een donkere bol van 3 dM straal wordt beschenen door een
lichtenden bol van 12 dM straal. De afstand der middelpunten
is 36 dM. Bereken a) de lengte van de kernschaduw, gerekend
van het middelpunt van den kleinen bol; &) den straal van de
loodrechte doorsnede van de kernschaduw met een vlak op 6
dM afstand van het middelpunt van den donkeren bol; c) den
straal van de doorsnede der bijschaduw met hetzelfde vlak.
9. De afstand van de middelpunten van Zon en Aarde ligt tus-
schen 22968 en 23752 aardstralen, en die van de middelpun-
ten van Aarde en Maan tusschen 57 en 64 aardstralen. De
straal der Zon = 108,7 aardstraal, die der Maan =Vii
aardstraal. Bereken uit deze gegevens de lengten der schaduw-
kegels van Aarde en Maan.
10. Twee wanden eener kamer zijn 4,5 M van elkaar verwijderd.
Op welken afstand is eene kaars van elk der wanden ver-
wijderd, als de eene wand 4 maal zoo sterk verlicht wordt
als de andere?
11. Bepaal de verhouding van de lichtsterkten van twee licht-
bronnen, als deze een scherm even sterk verlichten, wanneer
ze resp. op 4 en 6 dM van het scherm zijn verwijderd.
12. Twee vlakken worden door de Zon verlicht. Op het eene
vallen de zonnestralen loodrecht, op het andere onder een hoek
van 60*. Bepaal de verhouding der lichtsterkten op gelijke
deelen dezer vlakken.
13. De hoeveelheid licht, die een cM- van de Zon ontvangt, als
de stralen er loodrecht op vallen, wordt voorgesteld door het