Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
----------m^
S47
g 20. Voortgeworpen lichamen.
(Leerboek I, § 31 n». 11—13).
1. Een lichaam wordt met eene snelheid van 12 M verticaal naar
beneden geworpen. Welke snelheid heeft het na 7,5 seconde?
Hoeveel M is het dan gedaald ?
2. Een lichaam, dat met eene snelheid van 5 M verticaal naar
beneden geworpen wordt, komt na 6 seconden op den grond.
Van welke hoogte werd het naar beneden geworpen ?
Een steen wordt met eene snelheid van 29,4 M verticaal om-
hoog geworpen. Na hoeveel tijd zal hij zijn hoogste punt be-
reiken? Op welke hoogte bevindt hij zich dan? Na hoeveel
tijd bereikt hij weer den grond? Met welke snelheid komt hij
op den grond aan?
4. Een kogel wordt verticaal omhoog geschoten met eene snel-
heid van 400 M, Hoe hoog stijgt hij? Hoe lang duurt het eer
hij weer beneden is? Op welke tijdstippen is zijne snelheid
200 M ? // — 10 M.
/. Een kogel, die verticaal omhoog geschoten is, komt na 48
seconden weer op den grond. Hoe groot was de snelheid,
waarmee hij den loop verliet? Hoe hoog was hij gestegen?
rj—10 M.
/. Bij het schijfschieten wordt het geweer horizontaal gericht op
de hoogte van het middelpunt der schijf, die zich op 200 M
afstand bevindt. Waar zal de kogel de schijf treffen, als hij
den loop verlaat met eene snelheid van 400 M? 10 M.
y 7. Een bal wordt met eene snelheid van 40 M geworpen in eene
i'ichting, die een hoek van 30° met het horizontale vlak maakt.
Teeken de baan, die hij doorloopt. Bereken hoe hoog hij
stijgt. Hoever van zijn uitgangspunt komt hij weer op den
grond en na hoeveel tijd heeft dit plaats? ff~ 10 M.
j 8. Met welke snelheid moet een voorwerp verticaal omhoog ge-
worpen worden, om 176,4 M te stijgen? Waar bevindt het
zich dan na 10 seconden?
Een kogel wordt met eene snelheid van 5 M verticaal naar
y