Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S45
2 minuten hebben zij hem 18 M verplaatst. Hoe groot was de
versnelling bij die beweging? Welke was de snelheid van den
waggon na die 2 minuten?
17. Een trein, die eene snelheid had van 16 M, ging nog 16 se-
conden voort, nadat de remtoestellen in werking waren gesteld.
Welke vertraging ondervond de trein? Welken weg legde hij
toen nog af?
18. Een wagen, die eene snelheid heeft van 2,4 M, komt aan
eene helling, verkrijgt hier eene eenparig versnelde beweging
en komt na 2 minuten aan den voet der helling aan met eene
snelheid van 3,6 M. Hoe groot was de versnelling, die de
wagen verkreeg? Hoe lang was de helling?
19. Een bal rolt over een horizontaal vlak en heeft door de wrij-
ving eene eenparig vertraagde beweging. Als hij na 14 secon-
den tot rust komt en dan 644 M heeft afgelegd, vraagt men
naar de grootte der vertraging en naar de beginsnelheid.
20. Een wagen komt met eene snelheid van 3 M aan eene 35 M
lange helling, verkrijgt dan eene eenparig versnelde beweging
en heeft aan den voet der helling eene snelheid van 4 M.
Bepaal de versnelling.
21. Een lichaam legt in 7 seconden een weg af van 67 M. In den
beginne had het eene eenparige beweging met eene snelheid
van 5 M, later werd de beweging eenparig versneld met eene
versnelling van 4 M. Hoe lang heeft de eenparige beweging
geduurd?
22. Een lichaam met eene eenparig versnelde beweging heeft na
2 seconden 16 M en na 3 seconden 31,5 M afgelegd. Bepaal
de versnelling en de beginsnelheid.
23. Een lichaam met eene eenparig vertraagde beweging legt in
de 5® seconde een weg af van 84 M en heeft dan eene snel-
heid van 80 M. Bepaal de vertraging en de beginsnelheid.
24. Een kogel heeft eene snelheid van 250 M. Hij treft eene plank
en dringt daar 8 cM diep in. Welke vertraging ondervond de
beweging in het hout? Hoe lang duurde het eer hij tot stil-
stand kwam?