Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S43
reiziger, die op het dek eener boot met eene snelheid van 1,5
M stroomopwaarts loopt, terwijl de boot eene snelheid van
12 M stroomafwaarts bezit ?
17. Regendruppels vallen loodrecht naar beneden met eene snel-
heid van 22 M, Teeken de richting, waarin zij schijnen te
vallen voor iemand in een trein, die eene snelheid van 16 M
op een horizontalen weg heeft.
18. Regendruppels vallen loodrecht naar beneden met eene snelheid
van 9 M. Met welke snelheid moet eene buis, die een hoek
van 30® met de verticaal maakt, voortbewogen worden, zal een
druppel de as der buis volgen ?
19. Als we aannemen, dat de Aarde in hare baan om de Zon eene
snelheid heeft van 30 KM, en het licht zich voortplant met
eene snelheid van 300000 KM, welke snelheid schijnt het licht
van een hemellichaam dan te hebben voor een waarnemer op
Aarde, als deze zich beweegt a) in de richting naar het he-
mellichaam toe; h) in de richting van het hemellichaam af?
20. Een waarnemer in een rijtuig ziet regendruppels vallen volgens
lijnen, die een hoek van 30° met de verticaal maken. Zoo zij
in werkelijkheid loodrecht naar beneden vallen en het rijtuig
eene snelheid van 7 M heeft, welke snelheid hebben dan de
regendruppels?
§ 18. Eenparig versnelde en eenparig vertraagde
beweging.
(Leerboek 1, § 31 n«. 4—8).
1, Van eene eenparig versnelde beweging is de beginsnelheid = O,
de versnelling = 8 M. Hoe groot is de snelheid na 1, 4, 12
seconden; na ISYg en 19^4 seconde?
2, Hoe groot is de doorloopen weg na 1, 3, 14 seconden; na 17,5
en 24,6 seconde?
5. Hoe groot is de doorloopen weg in de 5®, de 12® en de 25®
seconde ?
4, Een lichaam, dat eene eenparige beweging heeft met eene snel-
heid van 16 M, verkrijgt eene versnelling van 4 M. Hoe groot