Boekgegevens
Titel: Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Auteur: Horn, D.; Gast, Simon de
Uitgave: 's-Gravenhage: Joh. Ykema, 1894
Arnhem: G.J. Thieme
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4791
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200845
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken over natuurkunde: behoordende bij het Leerboek der natuurkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
S42
6. In welken tijd legt een schaatsenrijder 4 KM af, als hij zich
beweegt met eene snelheid van 11 M?
7. Welke schijnbare beweging hebben de telegraafpalen langs
een spoorweg voor iemand in een trein, die zich beweegt met
eene snelheid van 15 M?
8. Welke beweging schijnt de Aarde te hebben voor iemand, die
in een luchtballon verticaal omhoog stijgt met eene snelheid
van 120 M?
fi. Twee treinen bewegen zich in dezelfde richting, de eerste met
eene snelheid van 18 M, de tweede met eene snelheid van
14 M. Welke snelheid schijnt de tweede trein te hebben voor
een waarnemer in den eersten?
10. En welke snelheid zou de tweede trein voor dezen waarnemer
hebben, als hij zich in tegengestelde richting van den eersten
bewoog ?
11, Als de eerste trein 60 M en de tweede 84 M lang is, in
hoeveel tijd rijden ze elkaar dan voorbij, wanneer ze zich in
tegengestelde richting bewegen? En in hoeveel tijd rijdt de
eerste den tweeden voorbij, als ze zich in dezelfde richting
bewegen ?
12, Van het dek eener stoomboot, die zich met eene snelheid
van 10 M stroomafwaarts beweegt, ziet men een drijvend
lichaam in 4 seconden 32 M achterblijven. Welke snelheid
heeft dit lichaam?
13. Welke snelheid zou hetzelfde lichaam schijnen te hebben voor
een reiziger op eene stoomboot, die zich met eene snelheid
van 6 M stroomopwaarts beweegt ?
Ié. Met welke snelheid zou de in het vorige vraagstuk bedoelde
reiziger zich op het dek moeten bewegen, om naast het drij-
vende lichaam te blijven?
lo. Een rennend paard wordt gezien van uit een trein, die zich
in tegengestelde richting beweegt en eene snelheid van 16 M
heeft. Het paard schijnt in drie seconden een weg van 84 M af
te leggen. Met welke snelheid beweegt het zich?
16. Welke snelheid schijnt eene roeiboot te hebben, die met eene
snelheid van 3 M dwars over de rivier geroeid wordt, voor een