Boekgegevens
Titel: Handleiding bij de voorbeelden tot oefening in het rechtlijnig teekenen: ten gebruike bij het onderwijs aan hoogere burgerscholen en bij zelfonderricht
Auteur: Hooiberg, Timen
Uitgave: Leiden: T. Hooiberg en zoon, 1872-1873
2e verb. uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-297
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200843
Onderwerp: Wiskunde: algebraïsche meetkunde
Trefwoord: tekenen, meetkunde, Leermiddelen (vorm), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij de voorbeelden tot oefening in het rechtlijnig teekenen: ten gebruike bij het onderwijs aan hoogere burgerscholen en bij zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
•28
is aangeduid , of ook dat over het midden een zwarte band loopt.
Ue grond G kan met eeu lichte tint van O. I. inkt wor-
den gedekt.
2 eu 3. Rauda n.
Vau elk dezer figuren is slechts de halve breedte geteekend,
die tot m n gaat, de andere helft moet door den leerling wor-
den aangevuld; de bewerking komt in hoofdzaak met die vau
Fig. 1 overeen. De wijze, waarop de banden door elkander zijn
gestrengeld, zal niet nader beschreven worden, aangezien de
teekening zulks duidelijk genoeg aangeeft.
TRALIEWERKEN.
PL. XII.
1. Deze figuur stelt den aanleg vau fig. 2 voor cn bestaat
uit een vierkant, bdfh waarin een tweede vierkant acetj
is beschreven,
2. Deelt men elk der afstanden de, dc enz. in drie
gelijke deelen, dan verkrijgt men gemakkelijk de kleine vier-
kanten A, terwijl de wording der vierkanten IJ genoegzaam
blijkt. De zijden der vierkanten A en B vormen de scherpe
bovenkanten der staafjes rt, tv, enz.; de versteklijntjes rs
deelen de hoekeu der vierkanten A en B middendoor.
3. Beschrijf uit het snijpunt o der diagonalen van het
vierkant A B C IJ met een afstand o « | o B als straal een
cirkel; trekt raeu verder door o de liju (/ e || B C en A ƒ || AH:
vereenigt men de punten a,lj, c,d en evenzoo de punten
e,f,(j,h twee aan twee, dan verkrijgt men de hoofdlijnen van
het door fig. 3 voorgestelde traliewerk.
4 en 9. Beschrijf een gelijkzijdigeu driehoek abc-, ver-
deel de zijden a 6 en 6 c in eeu even groot aantal gelijke dee-
len en trek door de deelpunten vau de eene zijde lijnen,
evenwijdig aan de beide andere zijden.
De verdere bewerking wordt door elk der figuren duidelijk
genoeg aangegeven.