Boekgegevens
Titel: Handleiding bij de voorbeelden tot oefening in het rechtlijnig teekenen: ten gebruike bij het onderwijs aan hoogere burgerscholen en bij zelfonderricht
Auteur: Hooiberg, Timen
Uitgave: Leiden: T. Hooiberg en zoon, 1872-1873
2e verb. uitg
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-297
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200843
Onderwerp: Wiskunde: algebraïsche meetkunde
Trefwoord: tekenen, meetkunde, Leermiddelen (vorm), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij de voorbeelden tot oefening in het rechtlijnig teekenen: ten gebruike bij het onderwijs aan hoogere burgerscholen en bij zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
b. Je lengte van de z ij den door A en de
lengte van een der diagonalen door D.
Beschrijf op a d — als basis twee gelijkbeenige drie-
hoeken ahd m adc^ welke de lijn A tot schuine zijde heb-
ben, dan is ahdc de gevraagde ruit.
e. de lengte van een der diagonalen door D
en de hoek, gevormd door die diagonaal met
de z ij d e n, door H.
Beschrijf op —1) als basis twee gelijkbeenige driehoe-
ken adb en acb, waarvan de hoeken aan de basis gelijk II
zijn, dan is adhc de gevraagde ruit.
Een trapeziEin te beschrijven wanneer gegeven is:
8. de lengte der evenwijdige z ij den door
Aen C, die van een der schuine zij den door
B en de hoogte door h.
a. Beschrijf een driehoek 0 die enöÈ?—Btot
zijden en h tot hoogte heeft (PI, IV 6 é)\ trek do || «/>,
neem dc = C en vereenig b met c dan is abed een der
trapeziums, welke aau de vraag beantwoorden.
Beschrijf ook het andere trapezium.
b. de lengte der evenwijdige z ij den door
A en C, die van een der schuine z ij den doorB
en de hoek, gelegen tusschen de z ij den A ea
B, door H.
Maak ab=\\\ neem a 6 = A, « c = B; trek c o
evenwijdig aan ab\ neem cd — Q, en verbind d met dan
is ah cd het gezochte trapezium.
c. de lengte van de diagonalen door Aen
B, die der evenwijdige z ij den door C en D.
Beschrijf een driehoek qhc^ die ^cmB en
— — D-f-C tot zijden heeft; trek co 11 y 6,
am\\qc en vereenig het snijpunt d met h en het punt
a met c, dan is abdc het gevraagde trapezium.
Een vierhoek te LescIirijveQ wanneer gegeven is:
7. a. de lengte van de vier z ij den door A,