Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
Evenzoo; s^enfuir ^ wegvlieden.
Mourir, sterven, élre mort; mourant, mort.
A Meurs, meurs, meurt; mourons, mourez, meurent,
B Mourais. G Mourus. — D Mourrai. —
E Mourrais.
F Meure, meures, meure; mourions, mouriez, meurent.
G Mourusse. — H Meurs, qu'il meuve, etc.
Vêtir, kleeden; être vêtu, vêtant, vêtu.
A Vêts, vêts, vêt; vêtons, vêtez, vêtent.
B Vêtais. — G Vêtis. — l) Vêtirai. — E Vêtirai. —
F Vête. — G Vêtisse. — H Vêts, quil vêle.
In dit werkwoord worden het enkelvoud van den
tegenwoordigen tijd en de gebiedende wijze weinig
gebruikt ; men zegt daarvoor habiller. — Eveneens
vervoegt men revêtir, bekleeden, en se dévêtir,
zich van kleederen ontdoen.
0£FE]%KX0£JV.
1.
Ik verkrijg eiken dag 1) nieuwe^ 2) kundigheden 3j.
Hij verkrijgt eene erfenis 4), Hij heeft sedert 5)
eenigen tijd veel verkregen. Deze jongelingen 6)