Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
C2
OEIEKINGEN.
1.
NB. De werkwoorden worden in de onbepaalde
wijs opgegeven.
Ik heb hem het boek geleend, dal gij mij gegeven
hebt. Zij hebben mij van de %aak 1) gesproken.
Men heeft den misdadiger 2) veroordeeld. Zij heeft
met ons ontbeten, 3). Ue meid heeft de blinden 4)
gesloten 5). Zij zuilen het gevaar vermeden 6)
hebben. Zou zij aan ons ongeluk ged-icht hebben?
Zou de meid de school geveegd 6°) hebben? Zullen
de kinderen beloond 7) zijn? Men heeft de fouten
verbeterd 8), die gij in uw opstel gelaten 9) hebt.
Wij hebben de straf 10) uitgesteld 11). Zij hebben
ons de geheele zaak verteld 12),
1) aflaire, f. 2) criminel. 3) déjeuner. 4) volet, m.
5) leriiier. 6) éviter. 6*J balayer. 7) réconipenser. 8) corriger.
9) laissécs. lOJ punition, f. UJ différer. 12) racontcr.
NB. Als een zelfstandig naamwoord het voor-
werp of de bepaling des werkwoords is,
dan staat het achter het werkwoord.
Van de zaak sprekende. Den misdadiger veroor-
deelende. Mei ons ontbijtende. De blinden sluitende.
Het gevaar vermijdende. Aan ons ongeluk denkende.
De schQol vegende. De kinderen beloonende. —
Eindigen, eindigende, geëindigd. Waarschuwende en
straffende. Nadenkende en verbleekende. Wij hebben
hem gewaarschuwd. Zij hebben ons gestraft. Men