Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
Ycrvoeglug: Tan het halpwcrkwoord ÊTRE.
{Conjugaison du verbe auxiliaire être.)
INFINITIF.
PRÉSENT.
Être.
PASSE.
Avoir été y
PARTICIPE ACTIF,
Étant,
PARTICIPE PASSIF.
Été,
ONBEPAALDE WIJS.
TEGENWOORDIGE TIJD.
Zijn.
VERLEDEN TUD.
Geweest zijn.
BEDRIJVEND DEELWOORD.
Zijnde.
LIJDEND DEFXWOORD,
Geweest.
INDICATIF.
PRÉSENT.
Je suis ^
Tu es,
Il est,
Nous sommes,
Vous êtes,
Us sont.
IMPARFAIT.
X étais,
Tu étais.
Il était J
AANTOONENDE WIJS.
TEGENWOORDIGE TIJD.
Ik ben.
Gij z;jt.
Hij is.
Wij zijn.
Gij zijt.
Zij zijn.
ONVOLM. VERL. TIJD.
Ik was.
Gij waarl.
Hij was.