Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
conditionnel composé.
Taurais eu,
Tu aurais eu,
Il aurait eu^
ISous aurions eu.
Vous auriez eu.
Ils auraient eu,
zamengest. v00rw. tij».
Ik zou gehad hebben.
Gij zoudt gehad liebben,
Hij zou gehad hebben.
Wij zouden gehad hebben.
Gij zoudt gehad hebben.
Zij zouden gehad hebben.
IMPÉRATIF.
PRÉSENT.
Aie,
Quil ait.
Ayons,
Ayez,
Qu'ils aient.
gebiedende wijs.
tegenwoordige tud.
Heb.
Laat hij hebben, laat hem
hebben.
Laten wij hebben , Iaat ons
hebben.
Hebt.
Laten zij hebben, laat hen
hebben.
subjonctif.
pfiésetçt.
Afin que faie,
Quoique tu aies,
A moins quHl n-ait.
En cas que nous ayons,
Pourvu que vous ayez,
Bien quils aient,
bijvoegende wijs.
tegenwoordige tijd.
Opdat ik hebbe.
Ofschoon hebbel.
Ten zij hij hebbe.
Ingeval wij hebben.
Mits gij hebbet.
Alhoewel zij hebben.