Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
3.
De gebeurtenissen, waarvan gij spreekt. Welke van
die twee rozen verkiest gij? Wie roept mij? Wiea
ziet gij? Wat zegt gij? Wie wil mij mijn reken-
boek 1) geren 2)1 Wie van deze twee kinderen is
leerzaam geweest? Welke dezer twee pennen wilt
gij? De man, dien gij ziet. De man. dien ik zie.
Wat zult gij mij geven? Wie klopt 3) aan de deur?
Wat zoekt gij? 4) Wien zoekt gij? ik zoek mijne
zuster en de uwe, uwe nichten en de zijnen. De
meezen, die gevangen zijn 5). De vogels, die ik ge-
kocht heb 6).
1) livre d'arillmiétique, in. 2) donner. 3) frappe. 4) cher-
chez-vous. 5) sont attrapées. 6) ai achetés.
4.
De leerlingen, die gij ziet, hebben hunne boeken
verloren. Het meisje, dat ongehoorzaam was, heeft
veel verdriet aan hare moeder gedaan 1). De vogels,
waarvan gij spreekt, zijn dood 2). Waartoe is hij
geschikt? Waardoor hebben zij lof verdiend? Ik
geef hun het geld, dat ik ontvangen heb 3). Ik
leen haar het boek, dat ik ontvangen heb. Ik zie
hel boek, dat op de tafel ligt 4). De zaak, waarvan
hij spreekt, is gebeurd 5). Aan wien denkt hij?
Waarvan spreekt hij? Aan wien denkt gij? Waar-
aan denkt gij? Ik denk aan den man dien ik ont-
moet heb
1) heeft gedaan: a causé. 2) mort. 3) ai reçu. 4) ligt op
de tojcl : se Irouve sur.... 5) arrivée. 6) ai rencontré.