Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
OEÏEMIMGEM.
1.
De man, tot wien wij gesproken heliben, is ver-
trokken 1). De vrouwen, die wij gezien 1*) hebben,
zijn in de kerk. De stoelen, welker leuningen ge-
broken zijn. De genoegens 2), die wij hebben. De
kinderen, die in 3) de school zijn. De soldalen, die
in 3) den oorlog geweest zijn. De boomen, die in
3) den tuin geweest waren. De metselaars, A\q bak-
steenen 4) gekocht hadden 5). De boeken, die hij
heeft. De leijen, die zij had. De soldalen, die ver-
metel geweest waren. De zaak, waarvan ik spreek.
De zaak, waaraan ik denk.
1) parti. 1*) vues. 2) plaisir, m. 3) a. 4) brique , f.
5) gekocht hadden bahsteenen: avaient acheté......
2.
De tulpen en de jasmijnen, die in den tuin zijn.
Het prieel, dat in den tuin is. De knikker, die
verloren is. Ik heb (aan) de vrouwen gesproken, die
gij hebt gezien. Ik zoek 1) het boek, dat ik heb
verloren 2). Ik vermaak 3) de pen, die gij mij
hebt gegeven 4). De man, die daar gaat, 5) en de
vrouw, van welke gij spreekt 6). Waaraan denkt
gij ? Waarvan spreekt gij ? Waarop rekent gij 7) ?
Het is daarvan dat gij spreekt. Het is daaraan dat
gij denkt.
1) Je cherche. 2) perdii. 3) Je taille. 4) donnée. 5) va lè.
6) vous parlez. 7) comptez-vous.