Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
La chaise... le dossier est
cassé,
Le chien... est mort.
Les billes ... sont perdues.
L'air... nous respirons,
De stoel, welks leuning ge-
broken is.
De hond, die dood is.
De knikkers, die verloren
zijn.
De lucht, die wij inademen.
Let nu nog op de volgende regels:
Que mag nooit met een voorzetsel gebruikt worden,
maar wel qui; bij voorbeeld ; do qui, avec qui, à qui,
en ziet alsdan alleenlijk op personen terug,
In plaats van qui gebruikt men met een voorzetsel
lequel, als het op zaken of dieren ziet, bijvoorbeeld:
avec lequel, par laquelle, auxquels, enz. In plaats
van duquel, de laquelle, desquels en desquelles zegt
men meestal dont.
Otcp de onopzigtelijke Voornaamwoorden.
(ues pronoms absoi.üs.)
De woorden qui, que, quoi, lequel, laquelle, enz.,
zien somtijds nipt terug op een antécédent, en alsdan
heeten zij onopzigtelijke voornaamwoorden (pronoms
absolus). Qui wordt dan gezegd van personen, en
beteekent : wie ; que van zaken , en beteekent : wat ;
en quoi zegt men van zaken, doch met een voorzet-
sel : à quoi, de quoi.
Qui va là?
Que voyez-vous?
Je sais ... vous a dit cela,
, . lui donnerez-vous ?
.. veut me prêter
plume?
sa
Wie gaat daar?
Wat ziet gij ?
Ik weet wie u dat gezegd
heeft.
Wat zuU gij hem geven ?
Wie wil mij zijne pen leenen?