Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
1
De man ziet 1) mij. Wij zien 2) den man. Ik
zit 3) u. Gij ziet 4) mij. Zij zien 5) ons. Hij
ziet 1) haar. Zij zien 5) hem. Wij zien 2) haar.
Ziet 4) gij mij? Zien 5) zij ons? Ziet 4) gij haar?
Ziet 1) zij u? Dit boek is voor u, en dat boek is
voor mij. Deze pennen zijn voor hem, en die pen-
nen zijn voor hen. Hij is boos op mij, en gij zijt
boos op liem. Hij geeft mij het pennemes van mijnen
vader. Ik geef hem deze boeken. Ik geef hun het
geld. Ik zie 3) hem. Ziet 4) gij hem? Ik zie 3)
hen. Ziet 4) gij hen? Ik roep 6) u. Roept 7)
gij mij? Neen, ik roep hem. Ik denk er aan. Gij
spreekt er van.
1) voit. 2) voyons. 3) vois. 4) voyez. 5) voient,
6) appelle. 7) appelez.
2
Die man heeft u geroepen 1); hoort 2) gij hem?
Wie 3) heeft u dat gezegd 4)? Hij. Ik denk aan
haar, aan u en aan hen. Hij verkoopt ons tabak
en pijpen. Wij spreken van u, van hem en van
baar. Wie spreekt er? Hij of zij. Ik zag 5) hem,
toen wij op het bal waren. Ik bemin G) u, en gij
bemint 7) mij. Wij beminnen 8) hen, en zij bemin-
nen 9) ons. Zij gaan 10) met ons naar 11) de kerk.
Zij waren eergisteren in den Haag, en gij waart
gisteren te Amsterdam. Ik heb er aan gedacht. Wij
hebben er van gesproken.
1) appelé. 2) entendez. 3) Quï. 4) heejt dat gtze^dt a dit
cela. 5) vis. 6) aime. 7) aimez, aimons. &) 'âîmént.
10) vont. 11) à.
^(r.museum
Mvi