Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
Als ik zeg : ik geef u een boek, dan is het voor-
naamwoord u niet het voorwerp, niet waar? Een
boek is het voorwerp, en u beteekent hier aan u.
Zoo kunnen: mij, hem, haar, ons, u, hun, haar,
soms beteekenen ; aan mij, aan hem, enz. Alsdan
zijn zij bepaling {complément indirect). In zulk een
geval vertaalt men die woorden op dezelfde wijs,
behalve hem, haar, hun en haar. Hem en haar
beteekenen dan lui, en hun en /taar beteekenen fowr.
Je lui donne un livre. Ik geef hem of haar een
boek.
Je leur prête de Vargent, Ik leen hun of haar geld.
Anders zegt men ook:
II me vend du tabac. Hij verkoopt mij (aan mij)
tabak.
II nous rend un service. Hij bewijst ons (aan ons)
eene dienst.
Hier hebt gij nu weder wat in te vullen :
Je....envoie une lettre. Ik zend hem eenen brief.
11 donne sa parole. Hij geeft mij zijn woord.
Dit'il la vérité? Zegt hij u de waarheid?
Ecrivez-vous une lettre? Schrijft gij/taar een brief ?
Elle vend ce jardin, Zij verkoopt ons dien tuin.
Donnez-vous un bon conseil? Geeft gij haar een goeden
raad?
Je promets une bonne récom- Ik beloof hun eene goede
pense, belooning.
Promettez-vous votre amitié? Belooft gij mij ü^e vriend-
schap?
Indien de bepaling door een voorzetsel kenbaar