Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
Connaissez-vous les diffé-
rents chevaux?
J'en connais quelques-uns :
Un cheval de selle, un
cheval de relais, un che-
val à deux mains, un
cheval de louage.
Un alezan, un cheval pom-
melé, un courtaud, un
moraud.
Ce cheval a une belle cri-
nière.
On a des matelas de crin.
L'amble est une sorte d'al-
lure du cheval.
Le galop est la plus dili-
gente allure du cheval.
Le trot ne va pas aussi vite.
Kent gij de verschillende
paarden ?
Ik ken er eenige:
Een rijpaard, een versch
paard, een trekpaard ,
een huurpaard.
Een rosachtig paard, een
wil en grijs gevlekt
paard , een kortstaart,
een zwart paard.
Dat paard heeft schoone
manen.
Men heeft matrassen van
paardenhaar.
De lelgang is eene wijze
van gang des paards.
De ren is de snelste gang
van het paard.
De draf gaal zoo gaauw niet.
3.
Les sangliers ont des dé-
fenses.
L'éléphant a une trompe.
Le groin dun cochon.
Le museau du chien, du
renard.
Cette taupe a fouillé là.
De wilde zwijnen hebben
slagtanden.
De olifant heeft eenen snuit.
De snuit van een varken.
De snuit van deu hond of
vos.
Die mol heeft daar gewroet.