Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
137
ZEVEiN EN VEERTIGSTE LES.
Onpogelinatigc Werkwoopilcii iii AI.\1>RE,
cn OIKURE.
Craindre, vreezen; atjanl craint, craignant,
craint.
A. Crains, crains, craint; craignons, craignes,
craignent. B. Craignais. — G. Craignis. — D. Crain-
drai. — E. Craindrais.
F. Craigne. — G. Craignisse. — H. Crains, qu'il
craigne, etc.
Hel werkwoord craindre vereischt ne bij het werk-
woord dat er op volgt, en dat iu den subjonctif moet
staan.
Vervoegt eveneens al de werkwoorden, die op am-
dre, eindre en oindre eindigen, zoo als: atteindre,
bereiken; contraindre, noodzaken of dwingen ;/omc/re
zamenvoegen of vereenigen, enz.
OEfEniINGEIV.
1.
Ik vrees, dat hij komen zal. Wij vreezen, dat
hem een ongeluk overkomen zul 1). Wat vreest gij
voor 2) mij? Gij hebt niels te 3) vreezen. Ik heb
die twee tuinen zacnengevoegd. Zult gij ook die twee
huizen vereenigeu? Een goed soldaat voegt de voor-
Ui*