Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
\ Voir, zien; ayant vu, voyant, vu.
A. Vois, vois, voit; voyons, voyez, voient.
B. Voyais. — C. Vis. — L). Verrai. — E. Verrais. —
F. Voie, voies, voie; voyions, voyiez, voient. —
G. — H. Vois, qu'il voie; voyons, voyez,
qu'ils voient.
Vervoegt eveneens : revoir , wederzien of herzien ;
entrevoir, onvolkomen zien, ten halve zien, en
s'entrevoir, eene bijeenkomst hebben. Prévoir^ voor-
zien, (van tijd sprekende), Ijeeft in den futur en in
den conditionnel: je prévoiras en je prévoirais; de
overige tijden gelijk voir. Pourvoir, verzorgen of
voorzien, heeft in den parf. déf. : je pourvus, en
in den futur en in den conditionnel: je pourvoirai
en je pourvoirais. Surseoir, opschorten, wordt ook
als voir vervoegd, maar de futur en conditionnel
hebben: je surseoirai, je surseoirais, en het par~
ticipe passif is ; sursis.
OEFEIVIArGElV.
1.
Ik zie iets onvolkomen in de verte 1). Wij zien
eenige voorwerpen 2) ten halve in de duisternis 3).
Ziet gij niet hoe hel regent? Ik heb hem gisteren
gezien; ik heb hem heden weder gezien. Ik zal de
eer hebben u weder te zien. Gij zult hem niet meer
wederzien; hij is gestorven. Wie heeft dit toeval 4)