Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
110
Falloir, moeien of noodig zijn; — ayant fallu,
fallu.
Dit werkwoord is onpersoonlijk.
A. Il faut. — B. Il fallait. — C. Il fallut. — D. Il
faudra. — E. Il faudrait. — F. quit faille. —
G. Quil fallût. (Geen Imp.)
Als men de verschillende personen in dit werk-
woord bepaaidehjk wil aanduidden, zegt men: il me
faut, il te faut, il lui faut, il nous faut, il vous
faut, il leur faut.
Se mouvoir, zich bewegen: s'ëtant m.u\ se mou-
vant, mu. ■
A. Me meus, te meus, se meut; nous mouvons, vous
mouiwz, se meuvent,
B. me mouvais. — C. me mus. — D. me mouvrai.
E. me mouvrais.
F. me meuve, le meuves, se meuve; nous mouvions,
vous mouviez, se meuvent.
G. me musse. — H. Meus-toi, qu'il se meuve; mou-
vons-nous, mouvez-vous, qu'ils se meuvent.
Men vervoegt ook aldus: promouvoir, tot eenige
waardigheid bevorderen. (Uil werkwoord j^ebruikt
men meeslal alleen in den infinitif en in de zamen-
geslelde lijden) Als ook émouvoir^ beleekenende:
het hart of de ziel treffen. Men gebruikt dit werk-
woord ook in de volgende beleekeiiissen : \
La mer commence à s'ë- Dc zee begint onstuimig
mouvoir
te worden.