Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
89
Men vervoegt aldus ook; partir, vertrekken; sentir,
voelen; servir, dienen; mentir, liegen; sortir, iiilgaan;
se repentir, berouw hebben; consentir, toestemmen;
démentir, logenstraffen.
Daar nu het bedrijvend deelwoord van dormir is
dormant, zoo ziet gij, dat er eene lettergreep minder
in is dan in het regelmatige finissant, en dat hierin
deze werkwoorden de vorming van de eerste vervoe-
ging hebben.
OEFEIVIJVGEiV.
Slaapt gij? Ik slaap niet. Ik heb den ganschen 1)
nacht geslapen. Hij slaapt lang 2). Hij vertrok (C)
«a«r 2") Londen. Dat schip zal weldra 3) vertrekken.
Liegt nooit. Wanneer 4) zullen wy uitgaan? Ik zal
daarin 5) nooit toestemmen. Zouden zij dezen avond
uitgaan? Wij gaan nooit uit. Gij gevoelt wel, dat
wij niet wel zouden handelen, als wij m 6) die zaak
toestemden. Zou hij gevoelen dat zij gelogen hebben?
Indien gij liegt, zal men u logenstralTen. Hij dient
mij sedert zes jaren. Stemt gij (oe. dat ik die
appelen plukke? Alvorens ik daarin 5) toestemme.
Alhoewel gij sliepet. Ofsclioon hij vertrokke. Laat
hem slapen. Laat ons vertrekken.
1) tout. 2) longtemps. 2*) pour. 3) bientót. 4) quand
5) y. 6) ii.
7*