Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 233 —
poitrail, m., lorst, v. machinalemeat, werktuigelijk, machinaal, gâchette, f., ijzeren stang, v.
iyan het slot van een geweer), partir, vertrekken-, afgaan, tomber à la renverse, omvervalleny
achterover vallen, briser, hreken. colonne vertébrale, f., ruggegraat, v. meurtrir, kwetsen,
kneuzen.
ÖÖ. vétéran, m., veteraan, oud gediende {krijgsman), m. affronter, tarten, niet ont-
zien. mitraille, f., schroot, o.; kogels, m. éclat, m., glans, m.; ontploffing, v. obus, m.,
houwitser, m. survit, ind. prés. van survivre, overleven-, het leven behouden, pencher, huigen,
hellen, overhangen, gémir, zuchten, kermen; jammeren, lécher, likken, lekken, plaie, f,,
wondey v. rebord, m, rand, kant, m. fosse, î., kuil, grafkuil, m. priester,
s'obstiner, volharden; volstrekt willen, interpeller, aanmanen; oproepen, torturer, folteren,
kwellen, pijnigen, se cramponner, zich vastklemmen, monceau, m., hoop, m. meurt, ind.
prés. van mourir, sterven, victime, m., slachtoffer, o.
ST'. sort, m., lot, o. conscription, opschrijving, conscriptie; loting, v. tarder, dralen,
talmen; lang uitblijven, obtenir, verkrijgen, redouter, duchten, hang zijn voor, métier, m.,
ambacht^ beroep; leven, o.
Bladz. 40.
prévois, ind. prés. van prévoir, vooruit zien, s'entendre, elkander verstaan, het met elkander
eens worden, se redresser, weder oprijzen; zich goed houden; zich herstellen, manoeuvre, f.,
krijgsbeweging, v. odeur, f., geur, lucht, v. respirer, ademhalen, inademen, étape, f., sta-
pel^laats, v., proviandmagazijn, o. excéder, overschrijden; uitputten.' gauche, linksch, belache-
lijk. tourment, m., kwelling, plaag, straf, v. embarrasser, verlegen maken; tot last zijn,
hinderen, peser,, wegen; drukken, zwaar zijn, maladresse, f., onhandigheid, v. marmite, f.,
ijzeren pot, ketel, m, paternel, Ie, vaderlijk, marmite paternelle, ouderlijke keuken, {moeders
brijpot, pappot), envier, benijden, débarquer, ontschepen, honneurs, m. pl. eerbewijzen, o. entre-
voir, ten halve zien, even zien, in zijne verbeelding zien, supporter, verdragen-, doorstaan.
rude, hard; zwaar, fièvre, f., koorts, v. inquiétude, f., ongerustheid, écouler, verloopen,
afvloeien, promesse, f., belofte, v. guérison, f., genezing, v. songer, denken, bedenken,
rassurer, gerust stellen, gagner, winnen, verdienen, krijgen, affaire, f., zaak, v., geschil-, ge-
vecht, 0. rapporter, teru^rengen-, vertellen-, opleveren, aanbrengen.
Bladz. 41.
précéder, voorafgaan; eerder zijn dan. foyer, m., haard, haardstede; woonplaats, v. dégoûté,
afkeerig. rougir, blozen, abattu, part. passé van abattre, ter neer slaan, congé, m., afscheid;
verlof, 0., vacantie, v. comble, m., toppunt, o. montrer, toonen, wijzen ; nawijzen, s'embar-
quer, zich inschepen.
S©. ramasser, oprapen, colporteur, m., uitventer, marsdrager, porte-balie, m., mars-
kramer, au fond de, op den bodem van, onder in. économe, spaarzaam, zuinig, rusé, loos,
slim. intelligent, kundig, ervaren, pressant, driftig; voortvarend, suffisait, imp. ind. van
suffire, voldoende zijn, recourir, zijne toevlucht nemen, sacoche, f., lederen zak, m. fructifier,
vruchten afwerpen, dynastie, f., stamhuis, o. fort, sterk, hard-, heet. mêlée, f., gevecht
{van nabij), o. menacer, bedreigen, se porter au galop, het in een galop zetten, dissimuler,
ontveinzen, inaction, f., werkeloosheid, v. préjuger, vooraf heoordeelen, gissen, prétendre,
beweren, vélite, m., licht gewapende krijgsman {der oude Romeinen), se signaler, zich onder-
^heiden, gré, m., zin; meening. fifre, m.., fjfje {zeker dwarsfluitje) o.-, pijver, m. charge,
Y^^^st, aanval, v. souffler, blazen, turlutute, m. (pan turlut, m., soort van leeuwrik) fluitje,
Oi^^ffluitje, O.
ÖO. hanneton, m., meikever, molenaar, m. divertir, vermaken, toutefois, nogtans.
dédaigner, verachten, atteler a, spannen voor. puérile, kinderachtig, récréation, f., nitspan-
ning, v., vermaak, o. erreur, f., dwaliyig, v. sérieux, se, ernstig, degré, m., trap, graad,
iti. renverser, omverwerpen i omkeeren, grimper, klimmen, klauteren, péniblement, adv. van
pénible, moeilijk, met moeite, paroi, m., wand, m. contempler, mét aandacht beschouwen,
longanimité, f., lang moedigheid, v., taai geduld, o. déçu, part. passé van décevoir bedriegen,
teleurstellen, s'accrocher, zich vastklemmen, hete, subst. et adj. beest, o., dom. tirer d'affaire,
afleiding geven, bout, m., einde, o. reprendre ses sens, bekomen, tot zich zélven komen.
s'envoler, wegvliegen, tenir à, afhangen van. parti, m., paHij; besluit, se mettre â faire
q.ch., iets beginnen ie doen, approcher, naderbij komert. avant-coureur, m„ voorlooper-, avoir
des avant-coureurs, iets voorzien, pressentiment, m., voorgevoel, o. se passer, plaats hebben,
7