Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 280 —
Bladz. 33.
trembler, sidderen; heven, fuir, vluchten; heengaan, bruit, m., geraas, gedruisch, o. guérite,
f., schilderhuisje, ,o. laitage, m , melkspijs, v., lepelkost, m. durcir {van dur, c, hard), hard
maken, prospérer, gelukkig, voorspoedig zijn. reposer, nederleggen, ter ruste leggenruften.
demi, e, half. mêler, mengen, vermengen, mêlé, e à, te midden van. péril, m., gevaar;^ q.
deuil, m., rouw, m. docile, leerzaam-, gewillig, croix, f., kruis, o. rosaire, m., rozenkrans,
m. se signer, een kruis maken, sommet, m., top, m., kruin, v. enchanter, verrukken; hetoo'
veren, bord, m., rand; oever, m.; helling, v. voyageur, m., reiziger, m. colline, t., heuvel,
m. sentier, m., voetpad, o. bure, f., grof wollen goed, o., pij, v. froment, m., tarwe, v.
gravir, beklimmen, coteau, m , helling, v.; heuvel, m. hameau, m., gehucht, dorpje, o. joyeux,
se, opgeruimd, aigu, ë, scherp, spits, fumée, i.,' rook, m. trouble, m., onrust, v. attendrir,
ontroeren, treffen, se relever, zich oprichten, opstaan, infirme, zwak, ziekelijk, détacher,
losmaken; (attacher, vastmakeri). veste, f., buis, vest, o. cacher, verbergen, se fixer, zich
richten, zich vestigen, obscurcir, {van obscur, e, donker), verdonkeren, crucifix, m., kruisbeeld,
crucifix, 0,
Bladz. 34.
noircir {van noir, e, zwart), zwart worden, implorer, aanroepen, agneau, m., lam, o. faire
de longs jours, een lang leven schenken, suspendre, ophangen, opschorten,
SÖ. infecter, besmetten, aansteken, à la réserve de, met uitzondering van. franchir,
overtrekken, étendre, uitstrekken, uitbreiden. Bourgogne, f., Sourgondië, o. Catalogne, f.,
Cataloni'éf, o, comprendre, begrijpen-, bevatten-, zich uitbreiden over. rive, f., oever, m. Atlantique,
Atlantische Angleterre, f., Hngeland, o. épargner, sparen; verschoonen. ressentir, ondervin-
den, gevoelen^ contagion, f., besmetting, aanstekirig, v. envahir, aantasten, overvallen, cala-
mité, f., ramp, v., onheil, o. détruire, verwoesten, vernietigen, mortalité, f., sterfte, v. île,
f., eiland, o. épars, e, verstrooid, verspreid, symptôme, m., kenteeken, ziekteteeken, o. sai-
gnement, m. {pan sang, m., bloed', o.). bloeding, v. invasion, f., uitbreken, o.; inval, m.. mala-
die, f., ziekte, v. présage, voorteeken, o. manifester, openbaren, te kennen geven, aisseïle,
f., oksel, m. gonflement, m., i^an gonfler, zwellen), opzwelling, v. surpasser, overtreffen *
grosseur, f., grootte, dikte, v. indifféremment, zonder onderscheid, tache, f., vlek, v.; (tâche,
f., dagwerk, o.; taak, v.) livide, loodkleurig; doodsch. Jarge, breed, groot, cuisse, f., dij, v.
indice, m., kenteeken, o. braver q.q., iemand trotseeren, het hoofd bieden, uittarten, plupart, f.,
de meeste, de meerdepJieid, v. fièvre, f., koorts, v. accident, m., ongeval, voorval, o. accident
E nouveau, bijkomende omstandigheid, venir à faire q.ch., er toe komen iets te doen; eindelijk
^ ^ iets doen. remarquer, opmerken, inexprimable, onuitsprekelijk, se propager, zich voortplanten,
uitbreiden, converser, verkeeren, onngang hebben, appartenir, behooren. immédiatement, on-
middelijk, tomber mort. dood nedervallen. lâcheté, f. {van lâche, laf, lafhartig), lafheid,
lafhartigheid, v. égoïsme, m., zelfzucht, v. citoyen, m., burger, m, éviter q.q., iemand
•mijden, vermijden, trahir, verraden; aanduiden, effroi, m., schrik, m., ontsteltenis, v. neveu,
i m., neef, m. aussi ne resta-t-il, ook bleef er geen, innombrable, ontelbaar, dévouement, ra.
{van dévouer, toewijden, opoffereri), opoffering, toewijding, v. héroïque ivan héros, m., held,
m.), heldhaftig, avarice, f., gierigheid, hebzucht, v. immense, onmetelijk, ontzettend groot.
décider, besluiten; beslissen; se décider, tot het besluit komen, campagnard, m., landbewoner,
m. grossier, ère, ruw, grof; lomp. accoutumer, gewennen, borner, beperken, begrenzen.
d'ordinaire, gewoonlijk, pestiféré, e, door de pest aangetast, pestlijder, désuétude, f., onge-
woonheid, v., onbruik, o. tomber en désuétude, in onbruik geraken, sévérité, f.. gestrengheid,
v. mœurs, f. pl., zeden, v. ra. usage, m., gebruik, o. pieux,-se, vroom, godvriiohtig. appar-,
tenir de plus près, nader verwant zijn. assistant, m., helper, ra. existence, f., bestaan, leven^
o. tristesse, f., droefheid, treurigheid, v. éprouver, ondervinden, gewaar worden,
Bladz. 35.
préservatif, ra., behoedmiddel, o. s'ctourdir, zich verdooven, ongevoelig maken; afleiding zoeken,
lugubre, treurig, akelig, appareil, m., toebereiding, v.; toestel, o. funérailles, f. pl., begrafenis,
v. plaisanterie, f., scherts, v. corps, m , lichaam; lijk, o. sépulture, f., graf, o.; begraaf-
plaats, v. considéré, e, aanzienlijk, geacht, rang, m., stand, m. défunt, m., overledene, m.
fossoyeur, ra. {van fosse, f., kuil, m.), doodgraver, m. bière, f., lijkbaar, doodkist, v. préci-