Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 220 —
aan iemand liggen, sujet, m , onderwerp, o.; reden, v.; avoir sujet de, reden hebben tot. remer-
cier, danken, bedanken, baiser, kussen, sauter, springen-, vallen, cou, m., 7ials m. de ce pas,
dadelijk, aanstonds, enfermer, sluiten, opsluiten, il en fit de même, hij deed hetzelfde, evenzoo.
étonner, verwonderen, verbazen, application, f., vlijt, v. soutenue {van soutenir), aanhoudend,
volhardend, cultiver, aankweeken. disposition, f., aanleg, m. naturel, le, natuurlijk, inspirer,
inboezemen, concevoir, opvatten; begrijpen, estime, f., achting, v. encourager, aanmoedigen.
redoubler, verdubbelen; toenemen, vigilance, f., oplettendheid, waakzaamheid, v. ardeur, f.,
ijver, m.; vuur, o. abandonner, verlaten, laten varen, se livrer à qch., zich dan ieis overge-
ven. dissipation, f., verstrooidheid, v. arracher, aftrekken, wegrukken, goûter, smaken; genie^
ten. délassemeiit, m. {van las, se, moede), ontspanning, uitspanniyig, v. s accéder volgen op.
survenir à qn., iemand overkomen, quelquefois, somtijds, retour, m., terugkeer, m., weder in-
storting, V. coup d'oeil, m., blik, m. fermeté, f., vastheid, v. résolution, f., besluit, o. accor-
der, toestaan, bewilligen, perfectionner, volmaken, voltooien, s'avancer, naderen, s'écouler,
heensnellen; verhopen, voorbijgaan, rapidité, f., snelheid, v. remplir, vullen, vervulleit. instant,
m., oogenblik, o. changement, m., verandering, wisseling, v. s'opérer, plaats hebben, zich
bewerkstelligen, séparation, f., scheiding, v. regret, m., spijt, y. sensible, gevoelig, hevig.
s'éloigner, zich verwijderen, en particulier, in H bijzonder, féliciter (qn. de qch.), {iemand met
iets) geluk wenschen. ouvrage, m., werk, o. départ, m., vertrek, o. écrivit, passé déf. van
écrire, schrijven (j'écris, nons écrivons; j'écrivis; j'écrirai; écrit, e). rendre compte de qch.,
bericîit, rekenscfiap geven van iets. avantageux, se {van avantage, m., voordeel, o.), voordeelig,
gunstig, ressentir, leuendig gevoelen, émotion, f., ontroering, gemoedsbeweging, v. agiter,
ontroeren; schokken, s'élancer, zich storten, snellen, se rendre témoignage, betuigen, insensé,
e, onverstandig, ^dwaas. il y a deux ans, voor twee jaar, twee jaar geleden, avancé, e, ge-
vorderd. ignorer, niet weten, intervalle, m., tusschentijd, in., tussckenruimte, v. s'épargner,
zich besparen, sparen, aller à la rencontre de qn., iemand ie gemoet gaan. instruire, onder-
richten; berichten, réforme, f., verbetering, v. flatteur, se, vleiend, streelend. composer,
samenstellen, vormen, davantage (= d'avantage, bij voorkeur), meer. entreprendre, ondernemen.
se dévoiler {van voile, m., sluier, m.), zicïi. ontsluieren; openen.
Bladz. 17.
démentir, logenstraffen; te leur stellen. aanwenden-, gebruiken. àéytXo^-^er, ontwikkelen.
décliner, afnemen, poids, m., gewicht-, last, m. au-dessus de, boven, activité, f., werkzaam-
heid, V. exactitude, f., nauwkeurigfieid, nauwgezetheid, v. intelligence, f., kennis; inzicht, o.
rétablir, herstellen, établissement, m., inrichting, zaak, v.; handelshuis, o. mettre qu., en
état, iemand in staat stellen, s'attacher à faire qch., zich beijveren, er op toeleggen iets te
doen. inestimable, onschatbaar, expérience, f., ondervinding, v.
consacrer, wijden, toewijden, courez, ind. prés. van courir, loopen (je cours, nous
courons; je courus; je courrai; couru), épais, digt, dik. garder, bewaren, behouden, souveuance,
herinnering, faire, doen, maken-, geven, indigence, behoeftigheid, hier behoeftige, arme. benira,
futur benir, zegenen, hrhé, gebroken; overstelpt, couvert, part. passé van couvrir, bedekken.
haillons, m. pl., lompen, vodden, v. inquiétude, f., onrust, ongerustheid, s. graven, cave,
hol-, diep. sillon, m.; voren, m. jadis, eertijds, voorheen, coula, passé def. van cmX^x, vloeien.
alléger, verliefden, verminderen, mendiant, e, m. en f., bedelaar., bedelares, se traîner sur,
kruipen over. teudre, uiistrekfcen; toereiken, fuira, futur van fuir, vluchten, sébille, houten
bak of nap. brouillard, m., nevel, m., mist, v. fossé, m., sloot, m., gracht, y. ^nider, geleiden.
élever, opkweeken; opfieffen. misérable, m. en f., ellendige, versiootene, ongelukkige, regorger,
overvloed hebben, miette, f., kruimel, m. étendu, part. jiassé van étendxe, uitstrekken, implorer,
hulp inroepen.
bienfaisance, f., weldadigheid, v. menu, e, dun, klein; les menus plaisirs, de
kleine genoegens; l'argent pour les menus plaisirs, zakgeld, o. dessein, m., plan, voornemen, o.
ensemble, tezamen voyage, m., reis-, v. d'avance, vooruit, vooraf, remarquable, merkwaardig,
bezienswaardig, incendie, m., brand, m. consumer, verteren, spectateur, m., toeschouwer, m.
aider, fielpen. deviner, raden, curé, m., pastoor, m., soulagement, ni., verlichting, onder-
steuning, V. ruiner, ongelukkig maken, te gronde richten, atteindre, bereiken {wordt vervoegd
als craindre), but, m., doel^ einde, o. ecclésiastique, m., geestelijke, m. emporter avec soi,
medenemen, medevoeren, bénédiction, f., zegen, m., zegening, v.
3Ô. étoile, f., ster, v. firmament, m., hemel, m., uitspansel, o. voile, f., zeil, o.
lutter, worstelen, rayon, m.^siraal, zonnestraal, m. soupirer, zuchten, paupière, f. ooglid, o.
aigle, m., arend, m. aire, f., nest {van een roofvogel), o. ver, m., worm, m.; (verre, m..