Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 216 —
peinture, f. i^an peindre, schilderen; Je peins, nous peignons; je peignis; je peindrai; peint, e),
schilderen, o.; schilderkunst, v. musique, f., muziek, v. enseigner, onderwijzen, leeren. ae
buter contre qch., zich tegen iets verzetten, ouïr, hooren^ (komt slechts in den infinitif en het
part. passé voor), repeter, herhalen, science, f., wetenschap, v. erreur, f., dwaling, v.
ignorance, f., onwetendheid, v. permettre, veroorloven, toestaan, mépriser, verachten, fainé-
antise, f., luiheid, v., lediggang, in. sans cesse, zonder ophouden, onophoudel4jk. s'accroupir.
nederzitten. lâche, vadsig-, laf. sort, ra., lot, o. cruellement, wreed, prendre soin de qch.,
voor iets zorgen, zorg dragen, augmenter, vermeerderen, toenemen, compromettre, in gevaar
brengen, op H spel zetten, bien, ra., goed, vermogen, o. entreprise, f., onderneming, v. chan-
ceux, se, gewaagd, issue, f., uitslag, ra. sauver, redden,
Bladz. 11.
comble, m., overmaat, v. pour comble de détresse, tot overmaat van ramp. manger, verteren,
verslinden, frais, ra. pl., kosten,, ra. ra. procès, ra., proces, rechtsgeding, o. associé, ra.,
deelgenoot, ra. intenter, aandoen, aanvangen, infortuné, e, ongelukkige, m. ^ v. toucher à
qch., iets aanraken; iets nabij zijn. vieillesse, f., ouderdom, ra. recours, m. toevlucht, v.
avoir reconrs'à qch., tot iets zijn toevlucht nemen, prâcc à son ignorance, wegens zijne, dank
zij zijne onwetendheid, jusqu'à l'espérance, tot zelfs da hoop. Ie lendemain, den volgenden dag.
terme, m., einde, o. mettre un terme à qch., een eind aan iets maken, souffrance, f., lijden,
0. prodiguer, verkwisten-, prodiguer qch. à qn., iemand iets rijkelijk schenken, soin, m., zorg,
V. suffisait, irap. van sutiire, voldoen, genoeg zijn. besoin, ra., behoefte, v., nooi, 'ov. aisance,
f., welstand, ra., welgesteldheid, v. dette, f., schuld, v. acquitter, betalen, kwijten, envers,.
jegens, bienfaiteur, ra., weldoener, impuissant, e, machteloos, onmachtig, misère, f., ellende, v.
se préserver de qch., zich voor iets behoeden, sachez, impér, van savoir, weten, contracter une
habitude, een^ gewoonte aannemen, zich gewennen, sûr, e, zeker ; (sur, op.)
^^. désobéissance, f., ongehoorzaamheid, v. veuve, f., weduwe» v. négociant, m.,
koopman, handelaar, ra. campagne, f., veld. land (in tegenstelling'van stad), aîné, e, oudste.
ressembler, gelijken, colère, f., toorn, ra.; —,, adj. opvliegend, céder, zwichten, toegeven, on-
derdoen. caprice, ra., hiim, ra. gril, v. refuser, weigeren, se fâcher, boos worden, vertoornen,
tellement (adv. van tel, telle, zoodanig), zoozeer. respect,_m., eerbied, m. entêté, e, eigen-
zinnig, hoofdig, agir, handelen, à sa tête, naar zijn eigen zin. tourment, m., kwelgeest,
verdriet, o. collége, ra., school, v. corriger, verbeteren, beteren, se corriger d'un défaut, een
gebrek afleggen, quitter, verlaten, pension, f., kostschool, v., pensioen, o. écolier, m., leerling,
scholier, ra. puisque, dewijl, vacances, f. pl., vacantie, v. passer, doorbrengen, auprès de, bij.
semaine, f., week, v. tâcher, trachten, zoeken, parcourir^ doorloopen. ^''éh^Xixe, zich verlustigen.
s'entretenir, zich onderhouden, moissonneur, m., maaier, m. rafraîchissement m., verversching,
verfrissching, v. exposer, blootstellen, bien vu, zeer gezien, travailleur, m., arbeider, m.
charger de, betalen met. voiture, f., wagen, m. gerbe, f., schoof, v. blé, m., koren, o.
là-dessus, daar boven op, daar op. expressément, uitdrukkelijk, opzettelijk, défendre, verbieden;
verdedigen, chariot, m., wagen, ra. peur, f., vrees, v.; avoir peur, bang zijn, vreezen.
désobéir, ongehoorzaam zijn. tranquille, stil, met rust, peureux, se, vreesachtig, repousser,
terugsiooten. griraper, klauteren, se mettre à faire qch., iets beginnen te doen, fouetter {van
fouet, m., zweep, v.), zweeven, met de zweep slaan, partir (oorspronkelijk se partir, scheiden),
vertrekken, afrijden (je pars, nons partons; verder regelmatig), d'un air triste, met een treurig
gelaat, met droevigen blik. tourner, omkeeren, draaien; zich draaien, heurter, stooten, verser,
omioerpen. casser, breken, accourir, toeloopen, aanloopen, relever, weder opheffen, oprichten.
soutenir, ondersteunen, jusqu'à ce que, totdat, cherché, gehaald, .hâte, f., haast, v. trans-
porter, brengen, chirurgien, ra., chirurgijn, remettre, weder zetten; weder in orde brengen,
patient, e, geduldig, tort, ni., onrecht, o, regretter, betreuren, chagrin, m., verdriet, o, causer,
veroorzaken, avoir pitié de qn., met iemand medelijden hebben, se souvenir, zich herinneren,
bedenken, faire un comraanderaent, gebieden, een gebod geven, respecter, achten, eerbiedigen.
Bladz. 12.
de bonne heure, vroeg^ vroegtijdig, daigner, zich verwaardigen, wél willen, don,
m., gift, V. orner, versieren, sieren, dès, van af. abord, m., toegang ; omgang, m. conta-
gieux, se, besmettelijk; verderfelijk, altérer, veranderen, bederven, tel, Ie, zoo, zoodanig,
secret, ète, eenzaam, afgezonderd, vallon, ra. (van val, m.) klein dal, o. bord, m., rand;
oever, m. onde, f., golf, v.; stroom, m. croît, ind. prés. van croître, groeien (je crois, nons