Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 215 —
f;, eerlied, m., achting, v. accompagner, vergezellen, car, want. bienveillant, e, welwillend.
friandise, f., lekkernij, v, avoir en réserve, in voorraad hebben, bewaard hebben, visiteur, m.,
bezoeker, gast, m. raconter, vertellen, verhalen, d'ordinaire = ordinairement, gewoonlijk,
quelque, de eene of andere, toucher, treffen, roeren, histoire, f., geschiedenis, v. intéresser,
belang inboezemen; belang stellen, vivement, adv. van vif, vive, levendig, entrer, aangaan
hij; binnentreden, doigt, m., vinger, m. loquet, m., klink, v. peut-être, misschien, valoir
mieux, beter zijn, par cette chaleur, met deze hitte, warmte, tricoter, breien, elle était à
tricoter, zij was aan het breien, poser, nederleggen. bas, m., kous, v. expression, f., uitdruk-
king, V. coup d'œil, m., blik, oogopslag, m. comprit, passé déf-, van comprendre, begrijpen,
verstaan, maussade, knorrig, onaangenaam, paquet, m., pak, pakje, o. glisser, glijden, laten
glijden, achever, ajmaken, voleindigen, deviner, raden, achevait de lui faire deviner, deed
haar eindelijk geheel raden, cependant, evenwel, echter, elle ne fit semblant de rien, zij deed
alsof zij niets merkte, souriant, part. prés. van sourire, glimlachen, être le bienvenu, welkom
zijn, à vrai dire, om de waarheid te zeggen-, waarlijk, inderdaad, ne . . . guère, eigenlijk
niet, rougir, blozen, rood worden, blanc, wit, rougir jusqu' au blanc des yeux, tot over de
oor en rood worden, d'un ton, op eeyi toon. caressant, streelend, liefkozend, vriendelijk.
Bladz. 10.
bâiller, gapen, geeuwen, s'étirer, zich uitrekken, sens, m., richting, v.; zin, m. en tous
sens, in aile richtingen, s'ennuyer, zich vervelen, je ne sais que faire, ik weet niet wat ik
doen zal. surtout, vooral, distraire, afleiden, verstrooien; (part. passé: distrait, e, verstrooid,
afgetrokken), lire, lezen (je lis, nous lisonsj je lus; je lirai; lu, e). saint, e, heilig, bible,
t,, bijbel, m. qui n'y voit plus, die niet meer zien kan. lunette, f., kijkglas, o., -a- pl., bril,
m. ouvrez, impér. van ouvrir, openen, openslaan, endroit, m., plaats, v. Ie premier endroit
venu, de eerste de beste plaats, chapitre, m., hoofdstuk, o. proverbe, m., spreekwoord, o.,
spreuk, v. commencer, beginnen, verset, m., vers, o. {in den bijbel), air, m., gezicht, gelaat,
0» indolent, c, onverschillig, ongevoelig, d'un air indolent, met een onverschillig gezicht, à
haute voix, luid, hardop, snit. ind. prés. van suivre, volgen (je suis, nous suivons; je suivis;
je suivrai; suivi, e). voie, f., weg, m. (voix, f., stem, v.). chef, m , overste, m.; hoofd,
opperhoofd, o., aanvoerder, m. directeur, m., bestuurder, opziener, m. gouverneur, m. gou-
verneur, opzichter, préparer, bereiden, gereed maken, amasser {van masse, f., massa, me-
nigte, v.), ophoopen, vergaderen, verzamelen, durant {yan durer, duren), gedurende, moisson,
1., oogst, m. de quoi manger, haren voorraad, iets om van te leven, te tiendras-tu couché,
zult gij nederliggen. joue, f., wang, v. cerise, f., kers, v. se redresser, zich weder oprichten.
baisser {yan bas, se, laag), laten zakken, attirer, aantrekken, tot zich trekken, par la main,
bij de hand. adresser, richten, reproche, m., verwijt, o. faible, zioak, zacht, d'une manière
frappante, op eene treffende wijze, paresse, f., luiheid, v. léger, ère, licht, gering, impor-
tance, f., gewicht^ belang, o. disposition, f., geneigdheid, neiging, v. n'en est pas moins,
daarom niet minder , , , wordt, positivement, nadrukkelijk, bepaald, condamner, veroordeelen,
compte, m., rekening, v. rendre compte, rekenschap geven, créer, scheppen, seigneur, m., heer,
m. exception, f., uitzondering, v. œuvre, f., werk, o. quelconque, een of ander, accomplir,
vervullen, coupable, schuldig, strafbaar, offre, ind. prés. van offrir, aanbieden, imiter, na-
volgen, prudent, e, voorzichtig, verstandig, profiter de qch., van iets gebruik maken, c'est-
à-dire, dat is, dat is te zeggen, ample, ruim, groot, rijkelijk, provision, f, voorraad, m.
connaissance, f., kennis, v. instruction, f., kunde, geleerdheid, v. bénédiction, f., zegen, m.
grandir, groot worden, opgroeien, honorable, eerwaardig ; eervol, éclairer, verlichten, non-
seulement . . . mais encore, niet alleen , . . maar ook, prochain, m., naaste, m. allez,
allez, kom, kom, houd op. vivacité, f., levendigheid, v. tâche, f., taak, v., werk, o. (tache,
f., vlek, v.) méchant, e, slecht, ondeugend, promettre, beloven, émn, e, part. passé van
émouvoir, bewegen, ontstellen (mouvoir, bewegen; je meus, nous mouvons, ils meuvent; je mus;
je mouvrai; mû, mue; — émouvoir heeft in H verleden deelwoord geen accent circonllexe).
prendre le chemin de l'école, den weg naar school inslaan, au plus vite, zoo snel, spoedig
mogelijk, justifier, rechtvaardigen, excuse, f., verontschuldiging, v. ainsi que, zooals, de ma
connaissance, van mijne kennis, avouer, bekennen; erkennen, franchement (adv. van franc,
franche, vrij), vrijmoedig, openhartig, ajouter, er bijvoegen, avenir, m., toekomst, v. à l'a-
venir, in vervolg, voortaan, sincérité, f., oprechtheid, v. Ie mritre voulut bien lui pardon-
ner, de onderwijzer was gaarne bereid hem te vergeven, avoir lieu de, reden hebben, se re-
pentir de qch., berouw over iets hebben, indulgence, f., toegevendheid, v.
/SO. humain, e, menschelijk; menschlievend, instruire, otiderrichten, onderwijzen; {wordt
vervoegd als conduire), unique, eenig, indigent, e, behoeftig, arm. épargner, sparen, ontzien^