Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 213 ~
dulden (je souffre, nous souffrons; je souffrais; souffert; verder reg$lm.). également (adv. van
égal, e, gelijîc), op gelijke wijs, eveneens.
Ql. aimer beaucoup, veél houden van. permettait, ind. imp. van permettre, toestaan,
vergunnen, veroorloven, prince royal, kroonprins, volant, pluimbal, prit, passé déf. van
prendre, nemen, opnemen, jeta, passé déf. van jeter, werpen, gooien, continua, passé déf,
van continuer, voortgaan, voortzetten, regarder, aanzien, beschouwen, air, blik, gelaat-, lucht,
liedje, sévère, streng, gestreng, promet, inJ. prés. van promettre, beloven, arriver, gebeuren,
aankomen, vient, ind. prés. van venir, komen, mit, passe' déf. van mettre, leggen, zetten',
steken, poche, f., zak, m. humblement, adv. van humble, nederig, ootmoedig, prier, verzoe-
ken, bidden, rende, subj. prés van rendre, teruggeven, refuser, weigeren, écouter, luisteren
naar, aanhooren. las, se, moede, s'avancer, vooruittreden, vooruitgaan, fièrement, adv. van
fier, trotse h, fier, moedig, poing, m., vuist, v. (hier, hand, v.) côté, zijde, kant, menaçant,
part. prés. van menacer, dreigen, bedreigen, veut, ind. prés van vouloir, willen, se mettre
à, beginnen, tirer, trekken, halen, remettre, ter hand stellen^ overhandigen, reprendre, her-
nemen, weder ontnémen,
ÖS. orphelin, m., e, f., wees, m. en v. glacer (van glace, î., ijs, o.}, van koude ver-
stijven. secours, m., hulp, v., bijstand, m. meure, subj. prés, van mourir, sterven, renouveler,
vernieuwen, mortel, le, sterfelijk, hâter, verhaasten, ' joie, f., vreugde, v. seuil, m., drempH,
dorpel, m. chapelle, f., kapel, v. {kerkje, o.) assis, part, passé van asseoir, gezeten, presque,
bijna, nu, e, naakt, pâle, bleek, souffrance, f.. {van souffrir), lijden, o. appeler, roepen,
aanroepen, passant, m , voorbijganger, m. sourd, e, doof. indifférence, f., onverschilligheid,
V. soupirer, zuchten; ontboezemen, récit, m., verhaal, o. éclairer, zichtbaar 7naken, verlichten,
alarme, f., onrust, v., nood, m. supplier, bidden, smeeken. trembler, beven, baigner, baden,
larme, f., traan, m. tendre, uitsteken, refus, m., weigering, v. dort, ind. prés, van dormir,
slapen (je dors, nous dormons; Je dormais; verder regelmatig), expirer, sterven, faim, t.,
honger, m. étranger, ère, vreemdeling. plaintif, ve, klagend, frapper les airs, de lucht treffen,
vervullen, foule, f., menigte, v. s'échappait fugitive, ontweek vluchtend, spoedde zich weg.
passer, voorbijgaan, oublier, vergeten,- écho m., echo, v. enceinte, f., omtrek, m., omhei-
ning, V. trépas, m., dood, m.
Bladz. 8.
éteinte, part, passé van éteindre, blusschen, uitdooven {yéitxns, nous éteignons ; j'éteignis; j'étein-
drai; éteint, e). son, m., klank, geluid, o. char, m., kar, wagen, m. bruit, m., gerammel,
geraas, o. plainte, f., Uacht, v. piètre, m., priester, naissant, part. prés, van naître,
orUstaan, geboren worden, au jour naissant, bij het aanbreken van den dag. blanchir, wit
maken, enfance, f., kindschheid, v. embrasser, omhelzen, omarmen, couple, m., paar, o. im-
mobile, onbewegelijk, effrayer, verschrikken, pâleur, f., bleekheid, v. glacé, e, verstijfd, ijskoud.
moitié, f., helft, v. lèvre, f., lip, v. arrêter, tegenhouden, inutile, vruchteloos, nutteloos,
vergeefsch, avertir, berichten, ie kennen geven, mededeelen, pitié, f., medelijden, o. veiller,
waken, veille, f., de vorige dag, daags ie voren.
Ö3. laitière, f. {van lait, m., tfielk, v.), melkvrouw, melkmeisje, le pot de lait, de
kan met melk. le pot à of au lait, de melkkan-, evenwel is le pot au lait de kan waarin de
melk is. poser, plaatsen, zetten, coussinet, m. {van coussin, m., kussen, o.), kussentje, o.
prétendre, denken, meenen. encombre, m., hindernis, stoornis, v., ongeluk, o. léger, ère, licht,
vlug, court, e, kort. vêtu, e, van vêtir, kleeden, mettre (un habit, un chapeau), aantrekken^
opzetten, agile, vlug, fiink, behendig, cotillon, m., onderrok, m. simple, eenvoudig, soulier,
m., schoen, m. plat, e, plat, trousser, opschorten, uitdosschen, kleeden. compter, tellen, be-
rekenen, pensée, f., gedachte, v. prix, m., prijs, m., waarde, employer, gebruiken, besteden,
couvée, f., broedsel, o. {van couver, broeien), aller à bien = aller bien, goed gaan, soin,
m., zorg, v. élever, groot brengen, opvoeden, poulet, m., {van poule, f., hen, v.) kuikentje, o.
habile, knap, bekwaam, sluw. cochon, m., darken, o. porc, ra., varken, s'engraisser {:pan
graisse, f., vet, o.), mesten, vet worden, son, m., zemelen, v, ra. grosseur, f., dikte, v.
raisonnable, redelijk, tamelijk, revendre, weder verkoopen. empêcher, verhinderen, beletten.
étabîe, f., stal, m. va le prix, de prijs in aanmerking genomen, dont il est, dien hij
waard is. vache, f., koe, v. veau, m., kalf, o, sauter, springen, huppelen, milieu, m.,
midden, o. troupeau, m., kudde, v. là-dessus, daarop, transporter, vervoeren; verrukken.
adieu, het is weg. marri, e, treurig, droevig, spijtig; (mari, m., echtgenoot, m.), répandre,
verspreiden; uitstorten, excuser, verontschuldigen, danger, ra., gevaar, o. farce, f., grap,
klucht, V.
devoir, m., plicht, rag conduit, ind. prés. van conduire, voeren, leiden (je conduis,
3