Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 212 —
iets gehouden worden, simple, eenvoudig, agrément, m., hevalligheid, schoonheid, v. fécond, e,
vruchtbaar, cu vain, ie vergeefs, esprit, m., verstand, o.; geest, m., gemoed, o. seconder, ie
hulp Icomen^ ondersteunen, present, in., geschenl, o.; gave, v.
f., gezicht_
rondtasten
m., huis,
passer de
nabij.
aveugle, m. et f.,^ blinde, boiteux, se, krewpele-, lamme, perdre, verliezen, vue,
0. depuis, sedert, plusieurs, verscheidene, chemin, m., weg, m tâtonner, tasten,
voelen, hutou, m., stoh, m. ' obliger, noodzaken, verplichten, malade, ziek logis,
o„ woning, v. cru, part, passé van croire, gelooven-, meenen, denken, pouvoir se
qch., iets kunnen missen, guide, m., gids, m. fidèle, trouw, getrouw, prochain,
van sentir, gevoelen ; ondervinden, inzien (je sens, nous sentons ;
naaste, sens, ind. prés
je sentais; verder regelmatig), voici, ziehier; (vois-ci). nuit, f., nacht, m, ce n'est pas que
je, niet dat ik. y voir rr voir, zien, au moins, ten minste, instant, m., oogenblik, m. en o.
route, f., weg, m. au lieu que, terwijl; in plaats dat. craindre, vreezen (je crains, nous
craignons; je craignis; je craindrai; craint, e). ne . . » personne, niemand-, (ue blijft weg als
niemand zonder werkw. gebruikt zoordt). ville, f., stad, v.; à la ville, in de stad; {tegenover-
gestelde van à la campagne, buiteri); dans la ville, in de stad {tegenovergesi. hors de la ville, uit
de stad); en ville, uit, buitenshuis {tegenovergesi. \c\\{iz soi, ie huis), aiiendrc, wachten, souper,
zelf st. nw. het avondeten ; werkw.: het avondeten ^gebruiken, soupeeren. il va être, Jiij zal zijn.
chagrin, m., verdriet, o. être chagrin, verdrietig, bekommerd zijn. à peine, nauwelijks; {met
à peine staat het onderwerp achter H werkwoord), parole, f., {van parler) woord, o. entendre,
hooren. quelqu'un, iemand {in bevestigenden zin; in ontkennenden zin gebruikt men: personne,
b. V. sans voir personne, zonder iemand ie zien), démettre, verstuiken, verrekken, ornière,
f., spoor, wagenspoor, o. impossible, onmogelijk, appuyer, zetten; steunen, penser, denken.
que vont penser, wat zullen denken, plainte, f. {van plaindre), klacht, v. pousser des plaintes,
klachten tuien, à qui vient d'arriver, tvien zooeven overkomen is. accident, m., ongeluk, o.
seul, e, alleen, me voilà condamné, nu ben ik genoodzaakt, veroordeeld, coucher, nederliggen;
liggen; slapen, boue, f., modder, v., slijk, o. j'en suis fâche, dat spijt mij, dat doet mij leed.
reste, in., overblijfsel, o. un reste de jour, een weinig licht, marcher, gaan; loopen. inquié-
tude, f., onrust, V., angst, m. chanceux, se {^an chance, f., kans, v., toeval, o.), gelukkig en
ongélukkig, charger, laden, beladen, se charger de qch., iets op zich nemen; zich met iets
belasten, conduire, geleiden (je conduis, nous conduisons; je conduisis; je conduirai; conduit,
e). s'empresser, zich haasten, zich beijveren, brancard, m., draagbaar, v, idee, f., gedachte,
V., denkbeeld, o. tenir à qu , 'van iemand afhangen, aan iemand liggen, tirer de peine, tdt
den nood helpen, toper à qch., in iets toestemmen, d'avance, vooraf, vooruit, manquer à,
ontbreken, les yenx vous, manquent, u ontbreekt hei gezicht; gij kunt niet zien, gij mist het
gebruik _ der oog en. jambe, . f., been, o. prêter, henen, hors, buiten, uit. • embarras, m.,
verlegenheid, v. arranger, aanleggen, schikken, plaît, ind. prés. van plaire, bevallen, behagen
(je plais, nous plaisons; je plus; je plairai; plu); s'il vous jdaît, als ik vragen mag, bid ik u;
als *i u beliejt. lourd, e, zwaar, paraissez,, ind. prés. van paraître, schijnen, épaule, f.,
schouder, m. je les ai assez bonnes, ik heb vrij goede; {desgelijks zegt men van de deelen des
lichaams: j'ai les yeux petits, le nez long, les cbeveax noirs, la bouche grande, ik heb kleine
oogen, een langen neus, zwart haar, een grooten mond), assez, genoeg, tamelijk, merci, f..
m.
barmhartigheid, v.; dank,
manière, op deze wijze, ce que.
dos, m., rug,
heigeen; wat.
m. manière, f., wijze, manier, v.; de cette
Bladz. 7,
luiu, adv. ver. il y a dix ans que, het is tien jaar geleden dat, sedert, vue, part, passé van
voir, invention, f., uitvinding, v. s*agenouiller {van genou, m., knie, v.), op de knieën gaan
liggen, knielen, chameau, m., kameel, m." eh, daardoor, grimper.
klimmen, aisément, adv.
van aise, o, gemakkelijk. échine, f., ruggegraat, v., rug, m. ranger, plaatsen, schikken, à
droite, recHs; (à gauche, links), passer les bras, de armen slaan, leggen, autour de, om. cou,
m., hais, 111. se relever, zlch v:eder oprichten; weder opstaan, debout, rechtop, peser, wegen.
moineau, m., musch, v. se mettre en route zich op weg begeven, aussitôt^ terstond, dadelijk.
moraine, daar. en commun, tezamen, quart, ra., vierendeel, o. ensuite (suite, f., vervolg, o.),
vervolgens, daaiop. témoigner {van témoin, in., getuige), betuigen, reconnaissance, f. {van
reconnaître, erkennen; herkenne7i), erkentelijkheid, dankbaarheid, v. auprès de, bij. mutuel,
le, wederzijdsch. pauvre, stzimper. infirme, gebrekkig, parvenir à qch., toi iets geraken, in
iets slagen, auiremeiit, anders, il en est de même pour, evenzoo gaat het met. communcraent,
adv. van coraniuu, e, gemeenzaa/tn = gemeenlijk, gewoonlijk. assister, helpen, bijstaan, assister
à, bijwonen, récijiroqueraent, adv. réciproque, wederkeerig. raanquer de qch., gebrek aan iets
hebben, refuser, weigeren, aider, helpen; bijstaan, finir par, eindigen met. souffrir, lijden;