Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 208 —
Tioe, hoeveel, vais, ind. prés, van aller, gaan\ {zullen), je vais aimer, ik toil, zal liefhelhen.
retraite, f., verblijf, o., afzondering, v. profond, e, diep-, stil, vivre, leven (je vis, nous
vivons; je vécus; je vivrai; vécu).
vapeur, f.. damp; stoom, m. vit, passé déf. van voir, zien épais, se, dik, dicht.
malsain, 6, ongezond, répandre, verspreiden, uitbreiden, jai'din, m , tuin^ m. pré, m., weide,
v. choisir, kiezen, départ, m., vertrek^ o. ternir, bevlekken; bezoedelen, verdonkeren, beauté,
f., schoonheid^ v. jouir de qch., iets genieten, pendaut. gedurende, quelque, eenig. triom-
phe, m., zegepraal, v., triomf, m. malignité, f., boosheid, boosaardigheid, v. reviendrai,'
futur van revenir, terugkomen, demain, morgen, matin, m., achtend, m. réparer, her-
stellen, weder goed maken. mal. m., kwaad, o. faits, part, passé van faire, doen\ —
het part, passé met avoir vervoegd schikt zich naar het voorafgaande voorwerp, h. v. la
lettre que j'ai écrite; je Tai écrite; quelles lettres avez vous écrites? fin, f., einde, o.
mettre fin à qch., een einde aan iets maken, existence, f., bestaan, leven, o. emblème,
ra., zinnebeeld, o. vérité, f., waarheid, v. dissiper, verstrooien, doen verdwijnen, tôt, vroeg,
tard, laat. médisance, f.. kvjaadsprekendheid, v., laster, "m.
âne, ra. ezel. hasard, m., toeval, m. peau, f., huid, v. lion, m. leeuw, revêtir,
beUeeden, kleeien; (vêtir, kleeden-, je vêts, nous vêtons; je vêtis;,je vêtirai; vêtu, e). ainsi,
zoo, aldus, déguiser, ver kleeden, vermommen, s'en aller, heengaan, forêt, f., woud, bosch, o.
partout, overal, terreur, f., schrik, m. consternation, f., ontsteltenis, v fuyaient, irap. van
fuir, vluchten (je fuis, no'is fuyons, il fuient, overigens regelmatig)^ enfin, eindelijk, ten laatste,
rencontrer, ontmoeten^ aantreffen, voulut, passé déf. van vouloir, willen (je veux, nous voulons,
ils veulent; je voulus; je voudrai; voulu, e; subj. que je veuille, que nous voulions; irapér.
veuille, veuillez, heh{t) de goedheid-, veux, voulez, heb{t) den vasten wil), épouvanter, ver-
schrikken, doen schrikken-, s'épouvanter, schrikken, aussi, ook, eveneens. Ie bonhomme, de
goede man, goede smikkel, chose, f., zaak, v., ding, o., quelque chose, iets. long, ue, lang,
côté, f., kant, rn., zijde, v. (côte, f., kust, v.) baudef, m., ezel, langoor, m. quoique, of-
schoon. vêtu, {ziè boven\ oreille, f., oor, o. trahir, verraden, montrer, toonen, vertoonen,
laten zien. réellement, adv. van réel, le, wezenlijk, ne . . , que, slechts, niets dan. toujours,
altijd, endroit, m., plaats, v. découvrir, ontdekken, rendre, teruggeven-, gevolgd van een bijv.
nw., maken, ridicule, belachelijk.
Bladz. 3.
O. guenon, f., meerkat, apin. singe, m , aap. noix, f., noot, v. cueillit, passé déf.
van cueillir, plukken, inzamelen (je cueille, nous cueillons; je cueillerai; cueilli, e). coque, f.,
bolster, m., schaal,_ v. vert, e, groen, dent, f., tand, m.; fait, ind. prés, van faire, maken-,
zetten, grimace, f., grimas^ g^ijnzlng, v.; faire la grimace, leelijke gezichten trekken, zetten.
certe, zefcer. mentir, liegen (je mens, nous rtientons, overigens regelm.). assurer, verzekeren»
puis, maar-, daarna, dan. croyez, ind. prés, van croire, gelooven; croire qn., iemand gelooven;
croire h qn., vertrouwen in iemand hebben-, croire qch., ieis gelooven-, croire à qch., aan iets
gelooven-, croire en Dieu, in God gelooven-, croire qn. bon, brave, iemand voor goed, dapper
houden discours, m., gesprek, o., redeneering, v. praatje, o. vieux, vieil, vieille, oud.
tromper, bedriegen, jeunesse, f, jeugd, v. maudit, e, part. passé van maudire, verwenschen,
{ver)vloeken. fruit, m., vrucht, v. jeter, werpen, wegwerpen, ramasser, verzamelen; oprapen.
• vite, snel, spoedig, entre, tusschen. oaillou, m., keisteen, ra. casser, breken; kraken, éplu-
cher, pellen, schillen, manger, eten. raison, f., rede, v., verstand, o.; oorzaak, v., gy'ond, m.;
avoir raison, gelijk hebben, mie = amie, vriendin, goût, m., smaak, m. faut, ind. prés van
falloir moeten, noodig zijn ouvrir, openen, open maken, souvenez, impér. van souvenir; se
souvenir de, zich herinneren, bedenken, vie, f., leven, o. sans, zonder, peu, weinig, travail,
m., werk, o. plaisir, m., genoegen, vermaak, pleizier, o.
lO. rouge-gorge, m. roodborstje, o. créer, scheppen, oiseau, ra., vogel, ra. mélodieux,
se, welluidend, ainsi que, evenals, zoowel als. chaque, ieder, année, f., jaar, o. printemps,
m., lente, v. voulurent, passé déf. van vouloir, willen, apparaître, verschijnen, s'approcher,
naderen, divin, e, goddelijk, arbre, ra., boom, m. toit, m., dak, o, , chaume, m , riet, o.,
dakstroo, o.; stoppel, ra. triste, droevig, treurig, hiver, ra., winter, m. laisser, laten, neige,
f., sneeuw, m. blanchir, wit maken-, bleeken {van blanc, blanche, wit), cabane, f., hut, v.
solitaire, eenzaam, visiter, bezoeken, humble, nederig, bescheiden; onderdanig, pauvreté, f.,
armoede, v. vue, f., gezicht, o., aanblik, ra. v6ix, f., stem, v. peut-être, misschien, wellicht.
oubli, m., vergetelheid, v., het vergeten, naître, ontstaan, geboren worden, espérance, f , hoop,
verwachting, v. gaieté, f., vroolijkheid, opgeruimdheid, v. éternel, le, eeuwig, accueillir, aan^
nemen, ontvangen, offre, f., aanbod, o. bonté, f., goedheid, v. semeur, ra., zaaier, van sejner,