Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 207 —
orage, m., onweder^ c. encore, nog. aujourd'hui (au jour d'hni), heden y vandaag {op den hui'
digen dag), y, daar^ daarin^ er in; hier: hei. puis, ind. prés. van pouvoir, hunnen, tenir,
houden, uithouden (je tiens, nous tenons, ils tiennent; je tins; je tiendrai; tenu, e). je n'y
puis plus tenir, ik kan hei niet langer {meer) uithouden, gros, se, dik. drap, m., laken^ c.
ouvrir, openen (j'ouvre, nous ouvrons, ouvert, e). bout, m., einde^ o porter, dragen, dos,
m.; rug^ m. espérer, hopen, preuve, f., bewijs, o.; proeft v. évident, e, blijkbaar^ duidelijk^
helder ^ klaar, pouvoir, m., macht, v., vermogen ^ o. se retirer, terugtrekken^ aftrekken ^ sic h
verwijderen, avouer, bekennen, erkennen, vaiucu, part, passé van vaincre, overwinnen (je vaincs,
tu vaincs, il vainc, nous vainquons; je vainquis; jtr vaincrai; vaincu, e).
S. papillon, m.; vlinder^ m. lampe, f., lamp^ v. chercher, zoeken, fortune, f., geluk,
fortuin, o. soir, m., avond, m. voyant, part. prés, van vo'r, zien. chambre, f., kamer, v.,
vertrek, o. allumer, aansteken, rapide, snel schielijk, ^désespoir, m., wanhoop, v. carreau,
ID., ruit, vensterruit, v, retient, ind. pres van retenir, terughouden, weerhouden, fenêtre, f.,
venster, o. va, iud. pres. van aller, gaan. vient, ind. prés. van venir, komen, tête, f., hoofd,
O.; kop, m.; de la tcte, mei den kop. aile, f., vleugel, m. pied, m., voet; poot, ra frapper,
slaan, stooten. coup, m , slag, ra.; maal, o. raultiplier, vermenigvuldigen, herhalen, à coups
multipliés, herhaalde malen, contre, tegen, barrière, f., dam, m., hek, o., slagboom, m.;
hinderpaal, hindernis, v. maudit, e, part. passé van maudire, vervloeken, verwenschen; (mau-
dire heeft nous maudissons, vous maudissez, ils maudissent; je maudissais; verder als dire),
insecte, m , insekl, o se dq)iter, zich ergeren {van dépit, m., verdriet, o., spijt,^y.). tour-
ment, m., kwelling, v. superflu, e, overvloedig, overtollig, vain, e, ijdel; vergeefse h. effort,
m., poging, inspanning, v. lutin, m , kwelgeest, plaaggeest, ra., guit, ra. rester, blijven.
dehors, buiten, er buiten, comme, hoe. pleurer, iveenen, eurager, woedend worden, in woede
geraken, (rage, f., woede, v ) près de, nabij, dicht bij, apercevoir, bemerken; waarnemen.
raoucheroD, m., mug, v.; (mouche, f., vlieg, v ). adroit, e, behendig, vlug. su, part. passé
van savoir, weten, frayer, banen-, passage m , doortocht, m ardent, e, brandend, périr,
omkomen, vergaan, trépas, m., dood, ra. éclairer, verlichten; ophelderen, wijzer maken. s*eu-
voler, wegvliegen, obstacle, ra., hindernis, v., beletsel, o. salutaire, heilzaam, venir de met
den infinitif, is: zooeven gedaan hebben, s'opposer à, zich verzetten tegen, vœu, m., gelofte,
v., wensch, ra. imprudent, e, onvoorzichtig, onbezonnen.
Ö. grillon, m., krekel, m. cacher, verbergen, herbe, f., gras, kruid, o. fleuri, e,
bloeiend, bebloemd {van fleurir, bloeien), regarder, zien. beschouwen, prairie, f., weide, v.
voltiger, fladderen, ailé, e, gevleugeld, briller, schitteren, blinkeii, glinsteren, vonkelen, vif,
vive, levendig, couleur, f., kleur, azur, azuur, hemelsblauw]J0urpre, ra., purper, purper-
rood, 0. éclatipr, hersten. vaneenscheuren; uitbreken; glinsteren, schitteren, jeune. jong. petit-
raaïtre, ra., praler, pronker, m. court, ind. prés. van courir, loopen (je cours, nous courons; je
courus; je courrai; couru); ik heb {ben) geloopen, j'ai couru, prenant, part. prés, van prendre,
nemen, quitter, verlaten, disait, imp. van dire, zeggen, que, hoe, wat. sort, ra., lot, o.
différent, e, verschillend, fit, passé déf. van faîr<î, maken, doen. tout, alles, ne point, volstrekt
niet, geen. talent, ra., talent, o., aanleg, ni. figure, f., flguur, gestalte; schoonheid, v. nul,
nulle, niemand, geen een. prendre garde à qn., op iemand acht slaan, ignorer, niet weten,
niet kennen, ici'-bas, hierbeneden autant, evenveel, evenzoo. vaudrait, cond. van valoir, gelden,
waard zijn (je vaux, nous-valons; je valus; je vaudrai; valu; subj. prés, que je vaille, que
nons valions; maar que je prévale van prévaloir, de overhand hebben), autant vaudrait, het
ware even goed. exister, bestaan, leven, n'exister pas, in proza gewoonlijk: ne pas exister,
parler, spreken, arriver, àairkomen; gebeuren, troupe, f, troep, m., menigte, w. aussitôt,
dadelijk, aanstonds, courant, part. prés, van courir, loopen les voilà courants, daar loopen
zij. après, na, achterna dont, waarin, envie, f , lust; nijd, m. avoir envie de qch., lust
in iets hebben, raoucboir, m., zakdoek, m. iyan moucher, snuiten), bonnet, m., muts, v.
servir, dienen (je sers, nous servons, overigens r eg elm.; servir qn., iemand dienen, bedienen;
se servir de qch., zich van iets bedienen-, servir à qch., iot iets dienen-, servir de qch., in
plaais van iets dienen), attraper, vangen, vainement, adv. van het adj. vain, e, ijdel, vergeefsch-,
te vergeefs, devient, ind. prés. van devenir, worden, bientôt, spoedig, conquête, f., verove^
ring, v., buit, ta. saiyir, grijpen, vatten, corps, m., lichaam lijf, o. survient, ind. prés,
van survenir, er bij komen, prend, ind. prés. va7i prendre, nemen, vatten, fallait, imp. van
het^ onpersoonl. werkw. falloir, moeten, noodig zijn (il faut; il fallait; il faudra; il a fallu;
qu'il faille. Men vertaalt: il faut que j'aille en il me faut aller, ik-ynoet gaan; il faut aller,
men moei gaan-, het kan echier ook zijn: ik {gij hij) moet gaan-, il me faut qch , ik heb iets
noodig). tant, zo'oveel, zoozeer, déchirer, verscheuren, vaneenirekken. bete, f., dier^ {diertje,
O.), dit, ind. prés. van dire, zeggen, tâcher ergeren, bedroeven, etre tâché de qch , boos^
treurig, bedroefd zijn over iets; être fôché contre qn., boos zijn op iemand, coûter, kosten,
trop, teveeli te, cher, chère, dm^r-, liet, waard, monde, m., ^meld^ v, combien, hoezeer,