Boekgegevens
Titel: Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Auteur: Herrig, Ludwig; Helderman, D.J.
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1871
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-353
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200765
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Leesvaardigheid, Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premières lectures françaises: Fransch leesboek voor de lagere klassen der hoogere burgerscholen enz.
Vorige scan Volgende scanScanned page
WOORDENLIJST,
^ Bladz. 1.
f
i 1. Araignée, f., spin, v. abeille, v. voyait, imp. van voir, zien (je vois, nous
? voyons; je vis; je verrai; vu), voler, vliegen; stelen, çà et là, hier en daar; heen en
; weder, assidu, e, vlijtig^ naarstig^ ijverig, tourmenter, plagen, kwellen, demauder, vragen;
t 1) — (jch. à qn., iets van iemand vragen^ verlangen, 2) — q\i., naar iemand vragen, iemand
verlangen te spreken. 3) à qn., iemand vragen, entretien, m., onderhoud y o. sucer, zuigen.
en suçant, terwijl ik zuig, miel, m., honig, m. mille, duizend. In de jaartelling schrijft
men mil na de geboorte van Chr.^ diis: in het jaar 1871, en mil huit cent soixante-onze;
maar: 1000 soldaten, mille soldais, fleur, f. bloem, v. vraiment, adv. van vrai, waarlijk,
agir, handelen, bien, goed, wel, zeer. iollement, adv van fou, fol, folle, dwaas. Het hijwoord
wordt gevormd door achter den vrouwelijken uitgang van het bijv, nm. ment ie zetten b.v.
haut, haute, hautement, aiguillon, m., angel, m. {van aiguille, f., naald, v.). saurais, condit.'
van savoir, weien (je sais, nous savons; je sus; je saurai; su; — part. pres. sachant; subj.
prés, que je sache; imper sache, sachons, sachez); savant, geleerd, wijs, procurer, verschaffen,
nourriture, f., voedsel, o. bien, wr plus en vóór iederen vergelijkenden trap, veel. facilement,
aJv. van lacile, gemakkelijk, tais, imper, van taire, verzwijgen (je tais, nous taisons; je tus;
je tairai; tu); se taire, zwijgen, infame, schandelijk; eerloos, brigand, m., roover, m. dit,
passé déf. van dire, zeggen {je dis, nous disons, vous dites; je dis; je dirai; dit, e). Aile
samenstellingen van dire, behalve redire, herzeggen, herhalen, hebben in den %en pers. meerv.
van den tegenw t. der aant. wijs': disez. interrompre, in de rede vallen; afbreken, honnf-te,
eerlijk, rechtschapen, beleefd, aspirer, trachten, haken naar. aucun gevolgd van ne, geen.
puisse, sul)j, prés. van pouvoir, kunnen (je peux of pnis, nous pouvons, ils peuvent; je pus; je
pourrai; pu; subj. prés, que je puisse, que nous puissions), causer, veroorzaken, dommage,
m., schade v. mort, f., dood, m. bénir, zegenen. In het part, passé heeft dit werkw. iwee
vormen: béni, e, gezegend, en: bénit, e, gewijd; — eau bénite, wijwater, détourner, afwenden.
regard, m., blik, in. dégoût {tegenovergestelde van goût, in., smaak, m.), wansmaak, m., wal-
ging, v., afkeer m.
cigale, f., krekel, m. fourmi, f., mier, v. chanter, zingen, sjirpen, tout, c,
geheel, été, m., zomer, m. fort, sterk; adv. zeer. dépourvu, part, passé l'ara dépour-
voir, onihlooien, berooven van het noodig e ; (voir, je vois, nous voyons; je vis; je verrai;
vu). — Pourvoir à, voorzien in, heeft in den passé de'f. ; je pourvus en in den futur: je
pourvoirai; ook prévoir, voorzien, vooruitzien, heeft je prévoirai), quand, ioen, wanneer,
bise, f., noordewind =■ winter, m. vcmi, part, passé van venir, komen (je viens, nous venous,
ils viennent; je vin.s; je viendrai; veau) pas, m., schrede, v.; mei ne verbonden ~ niet;
eveneens no - point, niet, volstrekt^niei. seul, e, alleen, enkel, morceau, m., stuk, o. mou-
che, f., vlieg, v. vermisseau, m., wormpje, o. alla, passé déf. van aller, gaan (je vais, tu
vas, il va, nous allous, ils vont; j'irai; sabj. prés, que j'aille, que nous allions; impér.:
va en voor een klinkletter vas), crier schreeuwen, klagen, famine, f., hongersnood, m.
chez, bij; ten huize van. voisin, m., voisine, f., buurman, buurvrouw, prier, bidden, ver-
zoeken, prêter, leenen aan. quelque, eenig, grain, ra., graankorreltje, o. subsister, be-
staan, kunnen leven, jusque, tot. saison, f., jaargetijde, o. nouvelle (nouveau, nouvel, nou-
velle), nieuw; la saison nouvelle = het voorjaar, payer, betalen, avant, vóór (van den tijd);
voor (van plaats) is devant, août, m., augustus, m., oogst{maand), foi, f., geloof; woord, o;