Boekgegevens
Titel: Natuurkunde voor de Nederlandsche scholen
Auteur: Helge, J.E.; Lancel, J.N.
Uitgave: Tiel: A. van Loon, 1896
5e dr. ;
Opmerking: Eerste stukje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4386
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200732
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuurkunde voor de Nederlandsche scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
in de vloeistof C; brengt het uiteinde van den längsten
arm in den mond en zuigt de lucht, die zich in de
buis bevindt, weg. De vloeistof klimt dan in den kor-
ten arm op, gaat voorbij de bocht en daalt in den lan-
gen arm neder, hetgeen niet eindigt, zoolang de korte
arm nog in de vloeistof gedompeld is.
Het is niet moeielijk, dit ver-
schijnsel te verklaren ; de druk-
king van den dampkring is voor
de beide uiteinden van den hevel
gelijk. Indien nu zijn beide ar-
men ook even lang, en dus de
kolommen vocht in die armen
even zwaar waren, zou uit geen
van beide, zoo de openingen
maar niet te wijd zijn, iets uit-
Fig. 50. vloeien. Het uitvloeien is dus
een gevolg van de meerdere zwaarte van de vochtkolom
in den längeren arm, terwijl de drukking van de lucht
op de oppervlakte van het vocht, dat zich in het hoogste
vat bevindt, geen luchtledig in de bocht van den hevel
toelaat, en dus het vocht in den kortsten arm opklimt,
naarmate het uit den längsten uitvloeit, een werking
die onophoudelijk voortgaat, zoolang de oorzaken blij-
ven bestaan ; dat is, zoolang het uiteinde van den kort-
sten arm in de vloeistof gedompeld is en de vochtkolom
in den längsten arm werkelijk langer is dan in den
kortsten, derhalve, zoolang de beide niveau's niet ge-
lijk zijn. Het behoeft nu wel niet gezegd te worden ,
dat uit een, overigens luchtdicht gesloten vat, door den
hevel geen vocht vloeien kan, en ook niet als de bocht
van den hevel meer dan ruim tien Meters hooger ligt,
dan de oppervlakte van het vocht in het bovenste vat.
Bij het opzuigen van het vocht krijgt men er licht
iets van in den mond; daarom heeft men in fabrieken,
waar de hevel gebruikt wordt om schadeljjke vochten
over te brengen, den längsten arm van onderen van
een zijdelingsche zuigbuis C D voorzien. Om zulk een
hevel (zie fig. 51) aan den gang te maken, sluit
men de opening B met den vinger, plaatst den kor-
ten arm A in de vloeistof en zuigt met den
mond aan D, tot de vloeistof over de bocht gekomen