Boekgegevens
Titel: Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Auteur: Greidanus, Tjardus
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1900
3e, verm. en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2943
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200694
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
deelen van zekere gewichtshoeveelheid aan zuiver metaal in de munt
voorkomen; dit heet het gehalte der munt. Het overige is dan bij-
mengsel van een ander, minder metaal.
De Nederlandsche munten zijn gouden, zilveren en bronzen.
Eén gouden standpenning:
het tienguldenstuk, wegende 6,720 G. met een gehalte van 0,900.
Zilveren standpenningen:
de rijksdaalder = 2,5 gulden, wegende 25 G.;
„ gulden a 100 cent, „ 10 „ ;
„ halve gulden è 50 „ , „ 5 „ ;
het gehalte van deze drie is 0,945. Honderd guldens wegen dus juist
1 KG.
Zilveren pasmunt:
het kwartje =: 25 cent, wegende 3,575 G.;
• „ dubbeltje = 10 „ „ 1,400 „ ;
„ stuivertje = 5 „ „ 0,685 „ ;
het gehalte der zilveren pasmunt is 0,640.
Bronzen pasmunt:
de halve stuiver 2,5 cent, wegende 4 G.;
„ cent of 0,01 gulden, „ 2,5 „ ;
„ halve cent, „ 1,25 „ ;
De bronzen pasmunt bestaat uit 0,950 koper, 0,040 tin en 0,010 zink.
Het vervaardigen der munten behoudt de regeering aan zich en
geschiedt aan 's Rijks munt te Utrecht. Nochtans kan ieder gouden
standpenningen laten slaan, als de werkzaamheden aan de munt
dit toelaten. De aanmunting van zilveren standpenningen door parti-
culieren is tijdelijk geschorst. Zilveren en bronzen pasmunt worden
alleen voor rekening van het rijk vervaardigd.
Niemand is verplicht, zilveren pasmunt tot een hooger bedrag dan
van 10 gulden, en bronzen pasmunt tot een hooger bedrag dan van
25 cents aan te nemen.
Daar zoowel gouden als zilveren munten als standpenningen voor-
komen, d. w. z. dat men elk bedrag, hoe groot ook, zoowel in zilver
als in goud mag betalen, zegt men, dat ons muntstelsel op den
dubbelen standaard, den gouden en den zilveren, berust.
Behalve de bovengenoemde munten heeft men nog als wettig betaal-
middel papiergeld, zijnde het muntbillet van ƒ 10 en dat van ƒ 50.
159. Hoewel, zooals boven gezegd is, het metrieke stelsel van 1
Januari 1870 af in Nederland is ingevoerd en in alle officiëele stukken
verplichtend is gesteld, zijn in het dagelijksch leven nog vele van de
oude maten in gebruik. De voornaamste zijn: