Boekgegevens
Titel: Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Auteur: Greidanus, Tjardus
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1900
3e, verm. en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2943
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200694
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
maat aangenomen wordt; het getal dat aangeeft, hoeveel malen deze
eenheid in de grootheid begrepen is, geeft in verband met de bekende
maat een denkbeeld van hare hoegrootheid, even als het getal, dat
uitdrukt, hoeveel eenheden in een hoeveelheid begrepen zijn, ons die
hoeveelheid leert kennen.
Van belang is het hierbij, dat de grootheid, waarmede vergeleken
of gemeten wordt, standvastig zij, d. i. altijd en overal dezelfde.
Vroeger vond men in alle landen, ja zelfs in de onderscheidene steden
van eenzelfde land, verschillende maten en gewichten, hetwelk het
handelsverkeer zeer bemoeilijkte. Thans bezitten nog wel niet alle
landen gelijke maten, maar vindt men toch die groote verscheiden-
heid niet meer.
Ten einde te voldoen aan de voorwaarde van standvastigheid der
maat, heeft men voor het stelsel van maten en gewichten een zooveel
mogelijk onveranderlijken grondslag trachten te vinden. Op het einde
der vorige eeuw werd door de Nationale Vergadering van Frankrijk
aan de twee wis- en sterrekundigen Méchain en Dclambre de
taak opgedragen, om als grondslag voor een nieuw stelsel een eenheid
te zoeken, die in een eenvoudige betrekking staat tot de afmetingen
der aarde. Daartoe werd een zoo nauwkeurig mogelijke meting ver-
richt van een boog van den aardmeridiaan tusschen Duinkerken en
Barcelona; later werd deze meting noordelijk en zuidelijk uitgestrekt,
tot men een boog had gemeten van 12° 41'46",8, de grootste, die ooit
gemeten was. Een commissie van Fransche en andere geleerden werd
daarop aangewezen, om, steunende op deze en andere metingen, een
nieuw stelsel van maten en gewichten vast te stellen. Deze commissie
stelde door verbinding van de verkregen uitkomsten met die van
vroegere graad metingen, in Peru en Lapland verricht, het vierde ge-
deelte van een meridiaan der aarde op 5130740 toises, daarbij een
afplatting der aarde aan de polen aannemende van '/asi- Het tien-
millioenste van dit vierde gedeelte van den aardmeridiaan, dus een
veertigmillioenste van den omtrek der aarde, werd als eenheid gekozen
en METER genoemd; het stelsel, daarop gebaseerd, draagt den naam
van METRIEKE STELSEL.
De lengte van den meter komt dus overeen met 0,513074 toise.
Men heeft staven van platina vervaardigd, die bij de temperatuur van
smeltend ijs nauwkeurig de lengte van den aangenomen meter aangeven;
deze staven heeten standaarden of prototypes en worden bij de regeeringen
der landen, die het metrieke stelsel hebben aangenomen, bewaard.
Latere onderzoekingen en nieuwere graadmetingen hebben doen zien,
dat de voor de lengtebepaling van den meter door de Commissie