Boekgegevens
Titel: Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Auteur: Greidanus, Tjardus
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1900
3e, verm. en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2943
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200694
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
echter 44 honderdtallen, en zoo menigmaal dus 6 honderdt. van 44
honderdt. kunnen afgenomen worden, zal het quotient nog 1 honderdtal
bevatten; dit kan 7 maal, en het quotient heeft dus 7 honderdtallen.
We nemen nu weer 700 maal den deeler 6 van het deeltal af, en
houden 217 over. Van deze rest kan de deeler nu nog eenige keeren
tienmaal afgenomen worden en wel 3 keer, zoodat het quotient ook
nog 3 tientallen bevat. Neemt men eindelijk 30 maal den deeler van
de laatste rest af, dan houden we 37 over, waarvan de deeler nog
6 maal kan afgenomen worden, terwijl er 1 overblijft. Het quotient
bestaat dus uit 8 duizendt., 7 honderdt., 3 tient. en 6 eenh., en is dus
8000 + 700 + 30 + 6 of 8736.
46. Derde geval. De deeler een getal van meer dan éen cijfer
en het quotient een getal van éen cijfer.
Stellen we ons voor 6543 te deelen door 978. — De deeler bestaat
uit 9 honderdtallen plus eenige eenheden, het deeltal uit 65 honderd-
tallen plus een zeker aantal eenheden. Daar 9 honderdtallen van 65
honderdtallen 7 maal kan afgenomen worden, vermoeden we, dat ook
van de opgegeven getallen het quotient 7 is. Maar 978X7 is 6846,
dus grooter dan het deeltal, en dus blijkt, dat de deeler niet 7 maal
van het deeltal kan afgenomen worden. We beproeven nu of het
quotient 6 kan zijn, en daar 978X6 = 5868 is, kleiner dan het
deeltal, volgt dat dit werkelijk het geval is. Trekt men 5868 af van
het deeltal 6543, dan vindt men voor de rest 675.
Wij bepalen dus bij benadering het quotient, door het cijfer der
hoogste eenheden van den deeler, (of als dit cijfer klein is, de twee
cijfers der hoogste eenheden) te deelen op het getal, dat het aantal
overeenkomstige eenheden van het deeltal aangeeft, en beproeven
dan door vermenigvuldiging, of het gevonden getal werkelijk het
quotient is.
Vierde geval. Twee willekeurige getallen in elkander te deelen.
Zij 4620378 te deelen door 793. We bepalen eerst, tusschen welke
twee termen van de schaal het quotient zal inliggen; dat is hier
tusschen 1000 en 10000. Onderstellen we nu, dat de deeler slechts 1
duizendmaal van het deeltal kan afgenomen worden, dan moet dit
laatste 793 duizendt. bevatten; het bevat echter 4620 duizendt., en
zooveel maal als dus 793 (duizend) van 1620 (duizend) kan afgenomen
worden, zooveel maal bevat het quotient 1 duizendtal; dit kan 5
maal, en dus bevat het quotient 5 duizendtallen. Neemt men 5000
maal den deeler van het deeltal af, dan houden we 655378 over,
waarmede de bewerking op dezelfde wijze wordt voortgezet.